ECLI:NL:RBDHA:2022:5781
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvragen vier Somalische minderjarige broers en zussen wegens ongeloofwaardige dreiging
Vier minderjarige broers en zussen uit Somalië vroegen asiel aan in Nederland, stellende te vrezen voor ernstige schade vanwege de negatieve aandacht van de groepering Al-Shabaab voor hun vader. De vader zou gevangen zijn genomen vanwege zijn werk als taxichauffeur en een openstaande schuld aan de groepering hebben. Eisers vreesden dat Al-Shabaab ook hen zou komen halen.
De staatssecretaris wees de aanvragen af omdat de verklaringen van eisers als oppervlakkig, summier en onderling afwijkend werden beoordeeld. Er was geen bewijs dat de vader of de kinderen persoonlijk problemen ondervonden van Al-Shabaab. De rechtbank vond de gestelde dreiging ongeloofwaardig, mede omdat de vader nog in Mogadishu verblijft zonder problemen en de kinderen na zijn ontvoering nog twee weken in Somalië verbleven zonder incidenten.
De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij of hun vader na terugkeer in de negatieve belangstelling van Al-Shabaab zullen komen. Ook de aangevoerde clanachtergrond en risico op rekrutering boden geen persoonlijke vrees. De rechtbank vond dat hereniging met de vader in Somalië in het belang van de minderjarige eisers is, mede gelet op het contact en de verblijfplaats van de vader.
De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen verblijfsvergunning regulier toegekend. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter Sinack en kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden aangevochten.
Uitkomst: De asielaanvragen van vier minderjarige Somalische broers en zussen worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van persoonlijke dreiging door Al-Shabaab.