ECLI:NL:RBDHA:2022:5790

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2022
Publicatiedatum
16 juni 2022
Zaaknummer
NL22.9557
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 2 Vreemdelingenwet 2000Art. 50 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b lid 3 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b lid 4 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewaring en schadevergoeding Syriër zonder rechtmatig verblijf in Nederland

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Syrische vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser, erkend vluchteling in België, werd in Nederland aangehouden wegens overtreding van de APV en vervolgens in bewaring gesteld.

Eiser stelde dat de bewaring onrechtmatig was vanwege een langere ophoudingsduur dan zes uur en betwistte de grondslag van de bewaring vanwege ontbrekende toelichting over de beschikbaarheid van documenten voor uitzetting. De rechtbank stelde vast dat de ophoudingsduur binnen de wettelijke termijn bleef en dat de staatssecretaris voldoende had onderbouwd dat de noodzakelijke documenten voor terugkeer naar België binnen korte termijn beschikbaar waren.

Daarnaast werd het belang van de openbare orde als grond voor bewaring gemotiveerd met een significant risico op onderduiken, wat eiser niet betwistte. Gezien deze omstandigheden verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.9557

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser,

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Walls),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek-de Graaf).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 28 mei 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Op 31 mei 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 3 juni 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te bezitten. Hij heeft verblijfsrecht in België, waarbij hij is erkend als vluchteling. Bij besluit van 13 december 2021 heeft verweerder vastgesteld dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft en is aan eiser het bevel gegeven om zich onmiddellijk naar België te begeven. Daarbij is hij erop gewezen dat tegen hem een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd als hij het bevel niet naleeft. Op 24 december 2021 is eiser in Nederland aangehouden wegens het veroorzaken van overlast (overtreding van de APV). Op deze datum is hij om 12:30 uur overgenomen door de vreemdelingenpolitie (AVIM) en opgehouden op grond van artikel 50, derde lid van de Vw. Aansluitend aan de ophouding is hij in bewaring gesteld.
2. Eiser voert aan dat de maatregel onrechtmatig is, omdat hij langer dan zes uur is opgehouden. Hij wijst er op dat eerst op 24 mei 2022 om 18:46 uur de maatregel aan hem is uitgereikt.
3. De rechtbank stelt vast dat het ondertekende formulier M109C vermeldt dat de maatregel is opgelegd op 24 mei 2022 om 18:20 uur. Nu eiser vanaf 24 mei 2022, 12:30 uur is opgehouden, volgt daaruit dat hij niet langer dan zes uur is opgehouden. Dat uit het eveneens in het dossier aanwezige proces-verbaal bevindingen van 24 mei 2022 volgt dat het door een technische storing niet eerder dan om 18:46 uur mogelijk was om de maatregel ook aan eiser uit te reiken, leidt niet tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is. De beroepsgrond faalt.
4. Eiser voert in beroep aan dat de door verweerder gekozen grondslag voor de bewaring onjuist is, omdat iedere nadere toelichting met betrekking tot de gestelde beschikbaarheid van documenten voor uitzetting ontbreekt.
5. Allereerst is van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 12 januari 2022 [1] heeft geoordeeld dat artikel 59, tweede lid, van de Vw verweerder de bevoegdheid geeft om derdelander-vreemdelingen met een verblijfsvergunning in een andere lidstaat van de Europese Unie in bewaring te stellen met het oog op gedwongen verwijdering naar die lidstaat. Niet in geschil is dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. In artikel 59, tweede lid, van de Vw is verder bepaald dat het belang van de openbare orde wordt geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. Verweerder heeft in beroep een brief van de Belgische autoriteiten, gedateerd 30 mei 2022, overgelegd, waaruit blijkt dat zij akkoord zijn met de terugkeer van eiser naar België. Eiser zal vertrekken op een EU-staat als vervangend reisdocument. In het verweerschrift is toegelicht dat het verzoek aan de Belgische autoriteiten kort na het opleggen van de maatregel is gedaan en dat het, gegeven de voorgeschiedenis van eiser, in de verwachting lag dat snel duidelijk zou worden met welk document eiser kan terugkeren naar België. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende onderbouwd dat de voor eisers terugkeer noodzakelijke documenten op het moment van de inbewaringstelling op korte termijn voorhanden waren. De beroepsgrond faalt.
6. In de maatregel heeft verweerder gemotiveerd overwogen dat deze nodig is in het belang van de openbare orde, omdat er een significant risico bestaat op onderduiken. De maatregel vermeldt ter onderbouwing van dit risico meerdere zware [2] en lichte [3] gronden. Eiser heeft het bestaan van deze gronden niet bestreden, zodat uitgegaan moet worden van de juistheid ervan. Hieruit volgt dat in het geval van eiser sprake is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Verweerder was dan ook bevoegd tot het opleggen van de maatregel.
7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.