De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Syrische vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser, erkend vluchteling in België, werd in Nederland aangehouden wegens overtreding van de APV en vervolgens in bewaring gesteld.
Eiser stelde dat de bewaring onrechtmatig was vanwege een langere ophoudingsduur dan zes uur en betwistte de grondslag van de bewaring vanwege ontbrekende toelichting over de beschikbaarheid van documenten voor uitzetting. De rechtbank stelde vast dat de ophoudingsduur binnen de wettelijke termijn bleef en dat de staatssecretaris voldoende had onderbouwd dat de noodzakelijke documenten voor terugkeer naar België binnen korte termijn beschikbaar waren.
Daarnaast werd het belang van de openbare orde als grond voor bewaring gemotiveerd met een significant risico op onderduiken, wat eiser niet betwistte. Gezien deze omstandigheden verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.