Eiseres, die in 2002 de erfenis van haar vader beneficiair aanvaardde, werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag successierecht omdat zij een geërfd bedrag van € 1.500.000 van een buitenlandse Zwitserse rekening niet had aangegeven. De belastingdienst legde deze aanslag op in 2019 na uitgebreid contact en informatie-uitwisseling sinds 2017.
De kern van het geschil betrof de vraag of artikel 66, vierde lid, van de Successiewet 1956 in strijd was met het Unierecht, met name het EVRM, en of de belastingdienst voldoende voortvarend had gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag. De rechtbank oordeelde dat het artikel niet in strijd is met het Unierecht omdat de verlengde navorderingstermijn niet verder werd gebruikt dan noodzakelijk om belastingfraude te bestrijden.
Daarnaast concludeerde de rechtbank dat de belastingdienst voldoende voortvarendheid betrachtte, aangezien er geen onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden was en er voortdurend contact was geweest met eiseres. Wel werd een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie en een half jaar.
Tot slot werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag gehandhaafd.