Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Sociale Verzekeringsbank; Directie Juridische Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
g.
Rechtbank Den Haag
Eiseres, die na verblijf in de Verenigde Arabische Emiraten met haar zoon naar Nederland terugkeerde, vroeg kinderbijslag aan vanaf het vierde kwartaal van 2019. Verweerder wees dit af omdat eiseres volgens hem niet verzekerd was voor de AKW in de relevante kwartalen, mede omdat zij niet in Nederland woonde of werkte en geen duurzame band met Nederland had.
De rechtbank oordeelt dat op de peildata 1 juli en 1 oktober 2020 eiseres geen ingezetene was in de zin van de AKW, omdat zij nog kort in Nederland verbleef, geen zelfstandige woonruimte had, niet stond ingeschreven in de BRP op de eerste peildatum, en haar echtgenoot nog in het buitenland verbleef. Ook het feit dat zij zich had ingeschreven voor werk en een woning zocht, was onvoldoende om een duurzame band aan te nemen.
De rechtbank volgt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat voor ingezetenschap een duurzame band van persoonlijke aard vereist is, waarbij woonruimte en duur van verblijf zwaar wegen. De intentie om zich te vestigen is onvoldoende zonder feitelijke duurzame binding.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal van 2020. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op kinderbijslag wordt afgewezen wegens het ontbreken van een duurzame band met Nederland.