ECLI:NL:CRVB:2022:147
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band ingezetenschap
Appellante, met Marokkaanse nationaliteit, verhuisde half februari 2020 met haar Nederlandse kinderen naar Nederland en verbleef tijdelijk in crisisopvang zonder duurzame woonruimte. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde kinderbijslag over het tweede kwartaal 2020 omdat appellante op de peildatum niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de korte verblijfsduur en het ontbreken van een duurzame woonruimte onvoldoende waren voor ingezetenschap. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de coronapandemie en crisisopvang de situatie beïnvloedden en dat haar kinderen daardoor benadeeld werden, met verwijzing naar het IVRK en Unierecht.
De Raad oordeelde dat de Svb terecht handelde, dat de belangen van de kinderen voldoende zijn meegewogen en dat de weigering van kinderbijslag niet leidt tot schending van grondrechten of het onmogelijk maken van het verblijf binnen de EU. De Raad bevestigde dat het recht op kinderbijslag niet direct voortvloeit uit het Unierecht en dat appellante pas vanaf het eerste kwartaal 2021 als ingezetene wordt aangemerkt.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van kinderbijslag over het tweede kwartaal 2020 bevestigd.