ECLI:NL:RBDHA:2022:5896
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen ingangsdatum en verleningsgrond asielvergunning afgewezen
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in op 14 november 2019. Verweerder verleende op 17 februari 2022 een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen de ingangsdatum en de verleningsgrond van deze vergunning.
De rechtbank oordeelde dat eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de ingangsdatum, omdat een eerdere ingangsdatum zou leiden tot een sterker verblijfsrecht. Echter, eiser had geen expliciet en gemotiveerd verzoek gedaan voor terugwerkende kracht vanaf de eerste asielaanvraag, waardoor de rechtbank het beroep tegen de ingangsdatum ongegrond verklaarde.
Ten aanzien van het beroep tegen de verleningsgrond stelde de rechtbank vast dat eiser reeds een asielvergunning heeft en daarmee het doel van de procedure heeft bereikt. Een wijziging van de verleningsgrond zou hem niet in een gunstigere positie brengen, zodat het beroep op dit punt niet-ontvankelijk werd verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter A.C.J. van Dooijeweert en griffier M. van Andel op 15 juni 2022 te Middelburg. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum is ongegrond verklaard en het beroep tegen de verleningsgrond niet-ontvankelijk.