ECLI:NL:RVS:2022:906

Raad van State

Datum uitspraak
25 maart 2022
Publicatiedatum
25 maart 2022
Zaaknummer
202200288/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 29 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel na verlening

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 27 mei 2021 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank vernietigde deze afwijzing en beval een nieuw besluit. Vervolgens verleende de staatssecretaris alsnog de verblijfsvergunning. De vreemdeling handhaafde het hoger beroep tegen de afwijzing.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het doel van de procedure, het verkrijgen van de verblijfsvergunning, is bereikt. De vreemdeling heeft daardoor geen belang meer bij het hoger beroep, ook niet bij een mogelijke wijziging van de verleningsgrond of bij de vergoeding van proceskosten.

Verder werd overwogen dat de staatssecretaris niet verplicht is de proceskosten in hoger beroep te vergoeden, omdat hij niet aan de vreemdeling is tegemoetgekomen en het procesbelang niet door zijn toedoen is vervallen. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdeling inmiddels een verblijfsvergunning heeft gekregen en geen belang meer heeft bij het hoger beroep.

Uitspraak

202200288/1/V2.
Datum uitspraak: 25 maart 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 7 januari 2022 in zaak nr. NL21.9759 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 7 januari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak en hem veroordeeld in de vergoeding van de proceskosten.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft opnieuw op de aanvraag van de vreemdeling beslist en haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. De vreemdeling heeft het door haar ingestelde hoger beroep gehandhaafd. Zij betoogt dat de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ten onrechte niet is verleend krachtens artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. Ook betoogt de vreemdeling dat zij procesbelang heeft, omdat volgens haar de staatssecretaris niet alleen de proceskosten in beroep, maar ook in hoger beroep moet vergoeden.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Met de door de staatssecretaris aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, heeft de vreemdeling het doel van de procedure bereikt. Daarom heeft zij geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep. Er is daar slechts sprake van als de vreemdeling in een gunstigere positie zou kunnen komen (uitspraak van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:137). Een wijziging van de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd leidt daar niet toe (uitspraak van 28 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE1168). De vraag of de staatssecretaris moet worden veroordeeld tot vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten, geeft onvoldoende aanleiding om tot een beoordeling van het hoger beroep over te gaan (uitspraak van 7 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1253).
3.       Niettemin moet worden bezien of de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als het procesbelang anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855). Niet in geschil is dat de inwilliging van de aanvraag is ingegeven door de uitspraak van de rechtbank waarbij de staatssecretaris is opgedragen een nieuw besluit te nemen. De Afdeling overweegt dat met dit gegeven vaststaat dat de staatssecretaris niet is tegemoetgekomen aan wat de vreemdeling heeft betoogd in hoger beroep. Dat het besluit om de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling te verlenen is genomen nadat de vreemdeling hoger beroep heeft ingesteld, maakt dat niet anders. Daarnaast is niet gebleken dat het procesbelang anderszins door toedoen van de staatssecretaris is vervallen. Daarom bestaat geen aanleiding om de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te veroordelen.
4.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2022
853