ECLI:NL:RVS:2022:906
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel na verlening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 27 mei 2021 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank vernietigde deze afwijzing en beval een nieuw besluit. Vervolgens verleende de staatssecretaris alsnog de verblijfsvergunning. De vreemdeling handhaafde het hoger beroep tegen de afwijzing.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het doel van de procedure, het verkrijgen van de verblijfsvergunning, is bereikt. De vreemdeling heeft daardoor geen belang meer bij het hoger beroep, ook niet bij een mogelijke wijziging van de verleningsgrond of bij de vergoeding van proceskosten.
Verder werd overwogen dat de staatssecretaris niet verplicht is de proceskosten in hoger beroep te vergoeden, omdat hij niet aan de vreemdeling is tegemoetgekomen en het procesbelang niet door zijn toedoen is vervallen. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdeling inmiddels een verblijfsvergunning heeft gekregen en geen belang meer heeft bij het hoger beroep.