Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2022:590

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2022
Publicatiedatum
31 januari 2022
Zaaknummer
C/09/621364 / FT RK 21/921
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot oplegging dwangakkoord bij problematische schuldensituatie

Mevrouw verzoekster verkeert in een problematische schuldensituatie met een totale schuldenlast van €29.050,91 verdeeld over negen schuldeisers. Zij heeft een schuldregeling voorgesteld waarbij een deel van de vorderingen wordt voldaan en het restant wordt kwijtgescholden. Acht schuldeisers gingen hiermee akkoord, maar één schuldeiser, de heer verweerder, stemde niet in met het voorstel.

Verzoekster heeft daarom de rechtbank verzocht een dwangakkoord op te leggen om de heer verweerder te dwingen mee te werken aan de schuldregeling. De rechtbank heeft het verzoek behandeld en vastgesteld dat de schuldbemiddeling door een bevoegde instantie, de Kredietbank, op juiste wijze is uitgevoerd en het voorstel goed is gedocumenteerd.

De rechtbank heeft een belangenafweging gemaakt en geoordeeld dat het voorstel het maximaal haalbare is, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van verzoekster, waaronder haar leeftijd en medische situatie. De bezwaren van de heer verweerder dat verzoekster meer te besteden zou hebben vanwege een gezamenlijke huishouding met een partner, zijn niet onderbouwd en door verzoekster weersproken.

Gezien het feit dat de meerderheid van de schuldeisers het voorstel accepteert en het voorstel het maximaal haalbare is, acht de rechtbank de weigering van de heer verweerder onredelijk en legt het dwangakkoord op. Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank legt een dwangakkoord op en beveelt de schuldeiser mee te werken aan de schuldregeling.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummers: C/09/621364 / FT RK 21/921 en FT RK 21/922
vonnis van 27 januari 2022
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster,
hierna: verzoekster of mevrouw [verzoekster],
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats 2],
verweerder,
hierna: verweerder of de heer [verweerder].
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Zij heeft een voorstel gedaan aan haar schuldeisers, waarbij een deel van de vordering(en) wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeisers wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft mevrouw [verzoekster] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De feiten waar de rechtbank van uit gaat

1.1.
Mevrouw [verzoekster] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van € 29.050,91 aan negen schuldeisers. Het is mevrouw [verzoekster] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de Kredietbank [X] heeft zij voor het laatst op 17 september 2021 een schuldregeling aangeboden (saneringsakkoord). Dit voorstel houdt in dat aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering ineens wordt aangeboden van 7,56% en aan de gewone schuldeisers een uitkering ineens van 3,78%, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen.
1.2.
De heer [verweerder] is als enige schuldeiser niet akkoord gegaan met dit voorstel. Mevrouw [verzoekster] heeft een schuld aan de heer [verweerder] van € 5.500,-, dat is 18,9% van de totale schuldenlast.
1.3.
De overige acht schuldeisers hebben het aanbod aanvaard.
1.4.
Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] op 25 november 2021 bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil zij dat de rechtbank de heer [verweerder] dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil zij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).

2.De procedure

2.1.
De verzoeken van mevrouw [verzoekster] zijn behandeld op de zitting van 20 januari 2022. Op deze zitting verschenen:
- mevrouw [verzoekster] , verzoekster,
- [Z], schuldhulpverlener van de Kredietbank [X],
- [A], beschermingsbewindvoerder,
- [verweerder] , verweerder,
- [naam dochter], dochter van de heer [verweerder] .

3.Standpunten van partijen

3.1.
Mevrouw [verzoekster] stelt dat het onredelijk is dat de heer [verweerder] het aanbod niet aanvaardt. Volgens haar heeft zij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden en kan zij niet meer aanbieden dan zij heeft gedaan.
3.2.
De heer [verweerder] stemt niet in met de aangeboden schuldregeling om, onder andere, de volgende redenen. De heer [verweerder] stelt dat mevrouw [verzoekster] maandelijks meer te besteden heeft dan zij doet voorkomen. Aan de partneralimentatie die mevrouw [verzoekster] maandelijks ontvangt, is de voorwaarde verbonden dat mevrouw [verzoekster] enkel zichzelf dient te onderhouden. Op het moment dat zij een nieuwe relatie krijgt en zich bij deze nieuwe relatie zou inschrijven, vervalt de alimentatieplicht. Mevrouw [verzoekster] staat volgens de heer [verweerder] weliswaar ergens anders ingeschreven maar feitelijk voert zij een gezamenlijke huishouding met haar (nieuwe) partner. Hierdoor heeft zij volgens [verweerder] maandelijks meer te besteden.

4.De beoordeling van de verzoeken

4.1.
De rechtbank wijst het verzoek van mevrouw [verzoekster] om een dwangakkoord op te leggen toe. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie en ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat de heer [verweerder] weigert in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
Bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de Kredietbank [X]. Dat betekent dat wordt voldaan aan de door wet gestelde voorwaarden, namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Het voorstel is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
4.4.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich drie jaar lang maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen van een (groot) deel van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
4.5.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van de verzoeker zelf, van de weigerende schuldeiser(s) en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier op zijn plaats is.
Mevrouw [verzoekster] heeft het maximaal haalbare voorstel gedaan
4.6.
Het voorstel dat mevrouw [verzoekster] aan haar schuldeisers heeft gedaan is het maximaal haalbare. Een beter voorstel is niet mogelijk. Mevrouw [verzoekster] is 58 jaar oud en ontvangt (in elk geval) sinds 2012 een Wia-uitkering. Mevrouw [verzoekster] heeft op de zitting verklaard er geen verbetering is ten aanzien van haar medische klachten. Op basis hiervan is duidelijk dat mevrouw [verzoekster] nog steeds niet in staat is om te werken. Het is ook niet te verwachten dat hier op korte termijn (binnen drie jaar) verandering in zal komen.
Argumenten van de heer [verweerder]
4.7.
De heer [verweerder] heeft aangevoerd dat mevrouw [verzoekster] feitelijk meer te besteden heeft omdat zij weliswaar niet bij haar partner staat ingeschreven, maar wel degelijk een gezamenlijke huishouding zou voeren. Dat betoog is evenwel niet onderbouwd. Het is ter zitting door verzoekster weersproken en is noch voor de beschermingsbewindvoerder noch voor de schuldhulpverlener aanleiding geweest om het aanbod zoals dat is gedaan, aan te passen. De rechtbank gaat daarom aan dit verweer voorbij.
Deze regeling is in het belang van de andere schuldeisers
4.8.
De meerderheid van de schuldeisers, die samen ruim 81,1% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, heeft ingestemd met de aangeboden schuldregeling. De belangen van deze schuldeisers wegen, vanwege de gezamenlijke omvang, zwaarder dan dat van de heer [verweerder] . Gelet op deze belangen en gelet op het feit dat het voorstel het maximaal haalbare is, is de rechtbank van oordeel dat de weigering van de heer [verweerder] om in te stemmen met het voorgestelde akkoord – hoewel vanuit zijn perspectief niet onbegrijpelijk – onredelijk is.
Het WSNP-verzoek is niet langer aan de orde
4.9.
Omdat het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord wordt toegewezen, heeft mevrouw [verzoekster] geen belang meer bij haar verzoek om te worden toegelaten tot de WSNP. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt de heer [verweerder] in te stemmen met de onder 1.1 bedoelde schuldregeling;
- wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.
Dit is de beslissing van mr. R.G.C. Veneman, rechter, in samenwerking met B.A.H. van der Ven LL.B., griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2022.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die in het ongelijk is gesteld gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.