ECLI:NL:RBDHA:2022:6001

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2022
Publicatiedatum
23 juni 2022
Zaaknummer
NL21.15536
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 4:19 AwbTijdelijke wet opschorting dwangsommen IND
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdig beslissen asielaanvraag zonder dwangsom

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft vervolgens alsnog besloten op de aanvraag en een dwangsombeschikking opgelegd, later gewijzigd. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het besluit inmiddels inwilligend is genomen, waardoor het procesbelang ontbreekt.

Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om betaling van bestuurlijke dwangsommen af. Dit volgt uit de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waardoor de relevante artikelen van de Awb niet van toepassing zijn in asielzaken. De termijn om op de aanvraag te beslissen was reeds verstreken, en verweerder is terecht in gebreke gesteld.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €379,50. De uitspraak is gedaan door rechter Sinack en griffier Grazell en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten, terwijl het verzoek om dwangsommen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.15536

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 10 oktober 2021 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Verweerder heeft op 24 november 2021 op de asielaanvraag van eiser beslist. Dit besluit bevat tevens een dwangsombeschikking. Op 8 december 2021 heeft verweerder een gewijzigde dwangsombeschikking aan eiser bekend gemaakt.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54 , eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Verweerder heeft inwilligend beslist op de asielaanvraag van eiser. Nu hiermee tegemoet is gekomen aan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Eiser heeft verzocht om verweerder te veroordelen tot betaling van bestuurlijke dwangsommen. Bij dwangsombeschikking van 8 december 2021 heeft verweerder echter terecht vastgesteld dat hij aan eiser geen bestuurlijke dwangsommen is verschuldigd. Op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND zijn de artikelen 4:17 tot en met 4:19 van de Awb immers niet van toepassing in asielzaken.
3. Omdat de termijn om op de aanvraag te beslissen in dit geval al op 5 december 2020 is verstreken, heeft eiser aanleiding kunnen zien om beroep in te stellen. Verweerder is verder op juiste wijze in gebreke is gesteld. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van eiser. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze vast op € 379,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 759,- per punt en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 379,50 (driehonderdnegenenzeventig euro vijftig eurocent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.