ECLI:NL:RBDHA:2022:6034
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument op grond van arrest K.A. wegens ontbreken afhankelijkheidsrelatie
Eiseres, met de Vietnamese nationaliteit, verzocht om een verblijfsdocument op grond van een afgeleid verblijfsrecht conform artikel 20 VWEU Pro en het arrest K.A. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat sprake was van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar partner (referent) dat zij niet van elkaar gescheiden kunnen worden.
Eiseres voerde aan dat de staatssecretaris de medische stukken ten onrechte zelf had beoordeeld en niet aan het Bureau Medische Advisering had voorgelegd, dat haar eerdere verblijfsvergunning ten onrechte was ingetrokken en dat haar uitzetting een schending van artikel 3 EVRM Pro zou betekenen. De rechtbank stelde vast dat de intrekking van de eerdere verblijfsvergunning wegens een schijnrelatie rechtsgeldig was bevestigd door eerdere uitspraken.
De rechtbank oordeelde dat niet was gebleken van een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie zoals vereist in het arrest K.A. De medische stukken waren grotendeels van vóór de komst van eiseres en beschreven niet haar rol in de verzorging van referent. Bovendien was eiseres inmiddels teruggekeerd naar Vietnam, wat impliceert dat zij en referent zonder elkaar kunnen functioneren.
De rechtbank verwierp het beroep en oordeelde dat het horen in bezwaar terecht was achterwege gebleven omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die tot een ander besluit konden leiden. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een zodanige afhankelijkheidsrelatie.