ECLI:NL:RBDHA:2020:2892
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens schijnrelatie en oplegging inreisverbod
Eiseres, houder van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als gezinslid, kreeg haar vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken vanwege een vermeende schijnrelatie met haar partner. De IND baseerde dit op een adrescontrole en informatie van de Belastingdienst, waarbij werd vastgesteld dat er geen duurzame en exclusieve relatie bestond. Eiseres voerde aan dat de bewijsvoering onvoldoende was en dat het proces-verbaal onrechtmatig was, maar de rechtbank kende hieraan geen doorslaggevend gewicht toe.
Tijdens de zitting werden getuigen gehoord die bevestigden dat er een relatie bestond, maar de rechtbank vond dat deze verklaringen niet overtuigend waren om de vastgestelde tegenstrijdigheden en vaagheden in de verklaringen van eiseres en haar partner te weerleggen. De rechtbank oordeelde dat de relatie was aangegaan met als enig doel het verkrijgen van verblijfsrecht, wat frauduleus handelen inhoudt.
Het beroep op schending van het recht op gezinsleven en het rechtszekerheidsbeginsel werd verworpen. De intrekking met terugwerkende kracht werd gegrond verklaard op basis van relevante wet- en regelgeving en jurisprudentie. Ook het opleggen van een inreisverbod werd als rechtmatig beoordeeld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht en het inreisverbod worden bevestigd.