ECLI:NL:RBDHA:2022:6045
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag bpm en schending hoorplicht afgewezen
Eiser deed aangifte bpm voor een Mercedes Benz GLE-klasse Coupé 350d, waarbij de bpm werd vastgesteld op basis van een taxatierapport. Verweerder legde een naheffingsaanslag op wegens een te lage waardebepaling in het rapport, gebaseerd op onjuiste referentievoertuigen en het niet meenemen van opties. Eiser stelde dat verweerder de hoorplicht had geschonden en dat de naheffingsaanslag onterecht was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende pogingen had gedaan om eiser te horen, maar dat eiser en zijn gemachtigde niet op de uitnodigingen waren ingegaan. Er was geen sprake van schending van het Europees verdedigingsbeginsel. De naheffingsaanslag was terecht opgelegd, omdat eiser onvoldoende feiten had gesteld om een lagere bpm te rechtvaardigen. Ook werd het verzoek om extra leeftijdskorting afgewezen.
De rechtbank wees het beroep ongegrond, maar veroordeelde verweerder tot vergoeding van € 1.000 immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan eiser toegewezen. Eiser mocht geen materiële schadevergoeding ontvangen omdat het beroep ongegrond was. De rechtbank zag geen aanleiding tot prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag bpm wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van immateriële schade en proceskosten aan eiser wegens overschrijding van de redelijke termijn.