ECLI:NL:RBDHA:2022:6052

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 mei 2022
Publicatiedatum
23 juni 2022
Zaaknummer
SGR 20/5440
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 ZvwArt. 24 Vo 883/2004Art. 25 Vo 883/2004Art. 30 Vo 883/2004Art. 4 Vo 883/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Buitenlandbijdrage verschuldigd ondanks woonplaats in Ierland volgens Nederlandse Zorgverzekeringswet

Eiseres, woonachtig in Ierland en AOW-pensioenontvanger, betwist de heffing van een buitenlandbijdrage door het CAK over het jaar 2018. Zij stelt dat het Ierse recht prevaleert en dat zij reeds via een 'medical card' recht heeft op zorg in Ierland, waardoor dubbele heffing onterecht is.

De rechtbank oordeelt dat op grond van de Europese Verordening 883/2004 en de Nederlandse Zorgverzekeringswet (Zvw) de buitenlandbijdrage terecht is geheven. Het Ierse recht prevaleert niet omdat de conflictregels van de verordening van toepassing zijn en Ierland geen voorwaarden stelt aan het recht op verstrekkingen. Tevens is de bijdrage niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat Nederland verantwoordelijk blijft voor de zorgkosten van eiseres en dat zij de buitenlandbijdrage moet voldoen. Een verzoek om verwijzing naar de Administratieve Commissie wordt afgewezen omdat dit niet binnen de procedure valt.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de heffing van de buitenlandbijdrage wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/5440

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2022 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats] (Ierland), eiseres

(gemachtigde: voorheen: mr. J.B.A.M. de Haan, thans: mr. S. Bosma),
en

het Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).

Procesverloop

In het besluit van 10 maart 2020 (primair besluit) heeft verweerder de definitieve jaarafrekening 2018 op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) vastgesteld en de buitenlandbijdrage over dat jaar bepaald op € 1.440,68, waarvan eiseres in verband met reeds ingehouden bedragen nog € 0,22 moet betalen.
In het besluit van 8 juli 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 april 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 1942 en woont in Ierland. Zij ontvangt sinds april 2007 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op grond hiervan is eiseres als verdragsgerechtigde aangemerkt, eerst met toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) en thans met toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004). Met het formulier E-121 is bevestigd dat eiseres vanaf 1 januari 2008 recht heeft op medische zorg in haar woonland Ierland, ten laste van pensioenland Nederland. Voor dit recht op zorg stelt verweerder dat eiseres op grond van artikel 69 Zvw Pro een bijdrage (de buitenlandbijdrage) is verschuldigd die wordt ingehouden op haar pensioen.
1.2.
In het primaire besluit heeft verweerder de definitieve jaarafrekening voor het zorgjaar 2018 vastgesteld en de buitenlandbijdrage bepaald op € 1.440,68. Daarvan is al € 1.440,46 op het inkomen van eiseres is ingehouden, zodat zij nog € 0,22 dient te voldoen.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder legt daaraan ten grondslag dat eiseres in Ierland woont en een pensioen op grond van de AOW ontvangt. Eiseres is niet op grond van Ierse wetgeving aangesloten bij het ziektekostenstelsel, anders dan op grond van ingezetenschap. Zij is daarom verdragsgerechtigde en eiseres is daarom in Nederland een bijdrage verschuldigd. Nederland is verantwoordelijk voor de kosten van de medische zorg van eiseres. Dat eiseres in Ierland woont, maakt dat niet anders. Dit volgt volgens verweerder uit artikel 24, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Vo 883/2004.
3. Eiseres betwist dat zij een buitenlandbijdrage is verschuldigd. Zij woont in Ierland en het Ierse recht is op haar van toepassing. Naar Iers recht is haar een ‘medical card’ verstrekt waarmee zij recht heeft op prestaties bij ziekte. Vanwege het beginsel van één toepasselijk recht kan op eiseres niet tevens het Nederlandse recht van toepassing zijn. Verder is sprake van strijd met de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, omdat van overige burgers van Ierland geen verdragsbijdrage wordt ingehouden. Het heffen van de buitenlandbijdrage is tevens onevenredig omdat eiseres ook zonder deze bijdrage recht heeft op prestaties in Ierland en tussen Nederland en Ierland onderling geen afrekening van de kosten plaatsvindt. Dit is in strijd met artikel 30 van Pro de Vo 883/2004. Tot slot dient het onderhavige geschil te worden voorgelegd aan de Administratieve Commissie, zoals bedoeld in artikel 72 van Pro de Vo 883/2004.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke regels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Tussen partijen is in geschil of verweerder over het jaar 2018 ingevolge artikel 69 van Pro de Zvw in verbinding met artikel 30 van Pro Vo 883/2004 een buitenlandbijdrage heeft mogen heffen dan wel (laten) inhouden op eiseres’ pensioen. Meer specifiek is hierbij de vraag aan de orde of het Ierse recht prevaleert boven het Nederlandse recht. Dit geschilpunt is al in een eerdere procedure bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) aan de orde geweest met betrekking tot de mededeling dat de Sociale Verzekeringsbank de buitenlandbijdrage inhoudt op het AOW-pensioen van eiseres. [1]
4.3.
Anders dan eiseres meent, leidt het feit dat zij als ingezetene van Ierland volgens Ierse wetgeving recht heeft op verstrekkingen bij ziekte er niet toe dat de conflictregels van Vo 883/2004 niet op haar van toepassing zijn. In een situatie als waarin eiseres zich ten tijde in geding bevond [2] zijn de conflictregels van de artikel 25 van Pro Vo 883/2004 van toepassing. Op grond van artikel 30 van Pro de Vo 883/2004, in samenhang gelezen met artikel 69 Zvw Pro, was zij daarom over 2018 een buitenlandbijdrage verschuldigd. [3] Van een prevalerend Iers recht is geen sprake, omdat in Ierland voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden inzake de verzekering of de arbeid als bedoeld in artikel 25 van Pro de Vo 883/2004 worden gesteld en niet ter discussie staat dat eiseres geen wettelijke uitkering of anderszins inkomsten in Ierland ontving die recht geven op een wettelijk recht op verstrekkingen bij ziekte. Hoe Ierland de verstrekkingen van zorg intern heeft geregeld, is voor de toepassing van artikel 25 van Pro Vo 883/2004 op de situatie van eiseres dan ook niet van belang. [4] Hiermee komt overeen de meest recente door het Ierse bevoegde orgaan op 10 januari 2019 ondertekende E121-verklaring, waarin door dat orgaan niet is aangekruist dat eiseres reeds recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van Ierland en volgens welke verklaring zij met ingang van 1 januari 2008 recht heeft op verstrekkingen in Ierland ten koste van Nederland.
4.4.
Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel leidt niet tot een ander oordeel. Artikel 4 van Pro de Vo 883/2004 bepaalt dat personen op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat hebben onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Nu uit het voorgaande volgt dat de artikelen 24 en 25 van Vo 883/2004 op eiseres van toepassing zijn, is van strijd met het in artikel 4 van Pro de Vo 883/2004 neergelegde beginsel van gelijke behandeling geen sprake.
4.5.
De omstandigheid dat tussen Nederland en Ierland geen verrekening van de kosten zou plaatsvinden, wat daar bij gebrek aan een onderbouwing van de zijde van eiseres ook van zij, leidt evenmin tot een ander oordeel. Dit leidt er namelijk niet toe dat sprake is van strijd met artikel 30, eerste lid, van de Vo 883/2004. In tegenstelling tot wat eiseres lijkt te veronderstellen, is in artikel 30 van Pro de Vo 883/2004, in samenhang gelezen met artikel 69 Zvw Pro, slechts de bevoegdheid neergelegd om een buitenlandbijdrage te heffen en te (laten) inhouden op het pensioen van, onder meer, eiseres. Hetgeen eiseres betoogt doet niet af aan haar verdragsgerechtigdheid, haar recht op zorg in Ierland ten koste van Nederland en de voor haar geldende verplichting om de buitenlandbijdrage te voldoen. In de hiervoor genoemde omstandigheid ziet de rechtbank ook geen grond om strijd met het evenredigheidsbeginsel aan te nemen.
4.6.
Voor zover eiseres verzoekt om het onderhavige geschil voor te leggen aan de Administratieve Commissie, zoals bedoeld in artikel 72 van Pro de Vo 883/2004, ligt dat niet binnen de mogelijkheden van deze procedure.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regels
Zorgverzekeringswet (Zvw)
1. Ingevolge artikel 69 van Pro de Zvw zijn in het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd.
Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004)
1. In artikel 24, eerste lid, van de Vo 883/2004 is bepaald dat degene die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van een of meer lidstaten en geen recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, desalniettemin verstrekkingen voor zichzelf en zijn gezinsleden ontvangt voorzover hij hierop recht zou hebben krachtens de wetgeving van de lidstaat, of van minstens een van de lidstaten die voor zijn pensioenen bevoegd is, indien hij in die lidstaat zou wonen. De verstrekkingen worden voor rekening van het in lid 2 bedoelde orgaan verstrekt door het orgaan van de woonplaats alsof de betrokkene recht had op pensioen en verstrekkingen krachtens de wetgeving van die lidstaat.
2. In artikel 24, tweede lid, onder a, van de Vo 883/2004 is bepaald dat in de gevallen als bedoeld in lid 1 en de pensioengerechtigde enkel recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van één lidstaat, het bevoegde orgaan van deze lidstaat de kosten voor zijn rekening neemt.
3. In artikel 25 van Pro de Vo 883/2004 is bepaald dat, ingeval degene die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van een of meer lidstaten, woont in een lidstaat waarvan de wetgeving voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake verzekering of inzake het al dan niet in loondienst verrichten van werkzaamheden, en waarvan de betrokkene geen enkel pensioen ontvangt, de kosten voor verstrekkingen voor de betrokkene en zijn gezinsleden voor rekening komen van het krachtens de regels van artikel 24, lid 2, aangewezen orgaan van een van de lidstaten die bevoegd zijn voor zijn pensioenen, voorzover genoemde pensioengerechtigde en zijn gezinsleden recht zouden hebben op deze verstrekkingen indien zij zouden wonen in die lidstaat.
4. In artikel 30, eerste lid, van de Vo 883/2004 is bepaald dat het orgaan van een lidstaat dat krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving belast is met het inhouden van de premies of bijdragen ter dekking van prestaties bij ziekte en van moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen, deze premies of bijdragen, welke worden berekend overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving, slechts kan heffen en innen voorzover de kosten voor de verstrekkingen die moeten worden verleend krachtens de artikelen 23 tot en met 26, worden gedragen door een orgaan van genoemde lidstaat.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de CRvB van 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4331.
2.Zoals in deze uitspraak omschreven onder 1.1.
3.De rechtbank verwijst hierbij naar de onder 1 genoemde uitspraak in de eerdere procedure tussen eiseres en de (voorganger van) verweerder, almede de uitspraak van de CRvB van 6 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1272.
4.Zie de hiervoor genoemde uitspraken van de CRvB en vergelijk de uitspraak van de CRvB van 29 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1682, in het bijzonder r.o. 4.4.