ECLI:NL:RBDHA:2022:6160
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen uitspraak over niet tijdig beslissen op Wob-verzoek minister VWS
Gëopposeerde diende op 22 september 2020 een Wob-verzoek in bij de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met het verzoek om correspondentie met influencers over coronamaatregelen. De minister besloot niet tijdig, waarop de rechtbank op 17 november 2021 het beroep van gëopposeerde gegrond verklaarde en een termijn stelde voor besluitvorming.
De minister stelde verzet in tegen deze uitspraak, stellende dat de rechtbank ten onrechte zonder zitting had geoordeeld en onvoldoende rekening had gehouden met de omvang van het verzoek en bijzondere omstandigheden door de coronapandemie. De minister voerde aan dat de termijn van twee maanden onredelijk was gezien het grote aantal documenten en de gefaseerde besluitvorming.
De rechtbank oordeelde dat het verzet geen nieuwe feiten of standpunten bevatte die niet al in het eerdere verweerschrift waren opgenomen. De aangehaalde jurisprudentie was reeds bekend en kon schriftelijk worden ingebracht. De rechtbank vond dat de zaak zonder zitting kon worden afgedaan en dat de bijzondere omstandigheden onvoldoende aanleiding gaven om de eerdere uitspraak te herzien.
Daarom verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en handhaafde de eerdere uitspraak dat de minister uiterlijk 18 januari 2022 een besluit moest nemen op het gehele Wob-verzoek. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzet van de minister wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak over het niet tijdig beslissen op het Wob-verzoek blijft in stand.