ECLI:NL:RBDHA:2022:6160

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2022
Publicatiedatum
27 juni 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 5139
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak over niet tijdig beslissen op Wob-verzoek minister VWS

Gëopposeerde diende op 22 september 2020 een Wob-verzoek in bij de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met het verzoek om correspondentie met influencers over coronamaatregelen. De minister besloot niet tijdig, waarop de rechtbank op 17 november 2021 het beroep van gëopposeerde gegrond verklaarde en een termijn stelde voor besluitvorming.

De minister stelde verzet in tegen deze uitspraak, stellende dat de rechtbank ten onrechte zonder zitting had geoordeeld en onvoldoende rekening had gehouden met de omvang van het verzoek en bijzondere omstandigheden door de coronapandemie. De minister voerde aan dat de termijn van twee maanden onredelijk was gezien het grote aantal documenten en de gefaseerde besluitvorming.

De rechtbank oordeelde dat het verzet geen nieuwe feiten of standpunten bevatte die niet al in het eerdere verweerschrift waren opgenomen. De aangehaalde jurisprudentie was reeds bekend en kon schriftelijk worden ingebracht. De rechtbank vond dat de zaak zonder zitting kon worden afgedaan en dat de bijzondere omstandigheden onvoldoende aanleiding gaven om de eerdere uitspraak te herzien.

Daarom verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en handhaafde de eerdere uitspraak dat de minister uiterlijk 18 januari 2022 een besluit moest nemen op het gehele Wob-verzoek. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het verzet van de minister wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak over het niet tijdig beslissen op het Wob-verzoek blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/5139

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2022 op het verzet van

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, opposant

(gemachtigden: mr. E. van Brandwijk en mr. E. Wijma).
En

[geoppposeerde], te [woonplaats], gëopposeerde

Procesverloop

Gëoposseerde heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op zijn verzoek van 22 september 2020 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
Bij uitspraak van 17 november 2021 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2022. Gëopposeerde was aanwezig. Opposant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Gëopposeerde heeft op 22 september 2020 verzocht om informatie op grond van de Wob. Hij heeft verzocht om alle correspondentie tussen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en influencers (zoals [A], [B] en [C]) die door verweerder zijn benaderd en betaald voor de promotie van de verschillende maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van het coronavirus over de periode maart 2020 tot en met september 2020.
2. Gëopposeerde heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 22 september 2020.
3. Op 17 november 2021 heeft de rechtbank in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht, omdat tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank acht het aannemelijk dat verweerder te maken heeft met een toename van het aantal Wob-verzoeken in Coronatijd, maar is van oordeel dat ook onder deze omstandigheden de nodige voortvarendheid van verweerder mag worden verwacht. Daarbij past niet dat besluitvorming nog niet heeft plaatsgevonden en dat op het gehele Wob-verzoek naar verwachting pas rond april 2022 wordt beslist. Nu verweerder heeft aangegeven half oktober 2021 op volle sterkte de Wob-verzoeken te behandelen en prioriteit te zullen geven aan het onderwerp waar het Wob-verzoek van gëopposeerde op ziet, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb, bepaald dat verweerder uiterlijk 18 januari 2022 alsnog een besluit moet nemen op het gehele Wob-verzoek.
Wat is het standpunt van opposant in verzet?
4. Opposant erkent dat hij te laat heeft beslist op het Wob-verzoek en dat het beroep in zoverre gegrond is, maar betoogt dat er geen sprake is van een zogenaamde kennelijkheid als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Awb. Door de zaak zonder zitting af te doen, is opposant de mogelijkheid ontnomen om de uitzonderlijke omstandigheden die met het coronavirus verband houden toe te lichten. De rechtbank is in haar uitspraak ten onrechte uitgegaan van het feit dat opposant nog verder kan versnellen ten opzichte van de doorgegeven planning. Ook heeft de rechtbank geen rekening gehouden met recente uitspraken van de hoogste bestuursrechter waar een vergelijkbare planning als die van opposant redelijk wordt geacht. [1] Nu het Wob-verzoek ziet op ongeveer 160.000 documenten, waar binnen de gefaseerde aanpak middels deelbesluiten op zal worden beslist, past de door de rechtbank gegeven termijn van twee maanden niet bij de omvang van het verzoek. Een onderzoek ter zitting had kunnen bijdragen aan de beoordeling van de bijzondere omstandigheden en het toepassen van maatwerk bij het bepalen van een redelijke beslistermijn.
Het oordeel van de rechtbank
5. Uit de wet blijkt dat tegen een beslissing van de rechtbank op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb verzet kan worden ingesteld bij de rechtbank. Het systeem van de wet dat volgt uit de artikelen 8:54 en 8:55 van de Awb biedt geen ruimte om gronden die inhoudelijk van aard zijn te behandelen. Er wordt enkel gekeken of de rechter in de beroepszaak de zaak heeft kunnen afdoen zonder een zitting te houden. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
6. De rechtbank is van oordeel dat de in verzet aangevoerde gronden feiten en standpunten betreffen die de rechtbank reeds bekend waren ten tijde van de uitspraak van 17 november 2021. De rechtbank beschikte over een uitgebreid verweer op schrift waarin opposant zijn standpunt over de bijzondere omstandigheden en het toepassen van maatwerk bij het bepalen van een redelijke beslistermijn al had uiteengezet. Het standpunt in verzet heeft niet meer of andere informatie geboden dan in het verweerschrift stond. Wat betreft de aangehaalde jurisprudentie oordeelt de rechtbank dat opposant hier schriftelijk op had kunnen wijzen nu deze Afdelingsuitspraken dateren van voor de uitspraak op het Wob-verzoek. De rechtbank kon de rechtsvragen dan ook zonder zitting beantwoorden. Dat deze beoordeling niet juist zou zijn, is niet gebleken. De rechtsvragen zijn voorts evident niet van zodanige aard dat het beroep daardoor niet vereenvoudigd behandeld kon worden.
Conclusie
7. Het voorgaande maakt dat wat in verzet is aangevoerd niet leidt tot twijfel aan de juistheid van de eerdere uitspraak.
8. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Abdolbaghai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Voetnoten

1.Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 oktober 2021, ECLI:NL:2021:2348 en van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2346.