ECLI:NL:RBDHA:2022:6409
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding na herroepen onrechtmatig ontslag bij Defensie
Eiser verzocht om schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag door de Staatssecretaris van Defensie, nadat het ontslag per 1 april 2007 was herroepen en de ontslagdatum werd verschoven naar 28 september 2011. De schadevorderingen betroffen immateriële schade, terugbetaling van invaliditeitspensioen, gemiste re-integratie-inkomsten, belastingschade en vergoeding van stuwmeerverlof.
De rechtbank oordeelde dat het onrechtmatige ontslag aan verweerder toerekenbaar is, maar dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij immateriële schade heeft geleden die een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer vormt. Ook werd geoordeeld dat het terugbetalen van invaliditeitspensioen geen schade is, omdat dit verband houdt met het feit dat eiser in de periode 2007-2011 salaris heeft ontvangen.
Verder werd de materiële schade wegens gemiste re-integratie niet voldoende onderbouwd en was de belastingschade niet concreet berekend. De rechtbank verwierp ook het beroep op het vertrouwensbeginsel met betrekking tot vermeende toezeggingen tijdens bemiddelingspogingen. Het verzoek om vergoeding van stuwmeerverlof werd afgewezen omdat dit reeds onherroepelijk was toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van schadevergoeding na herroepen ontslag wordt ongegrond verklaard.