ECLI:NL:RBDHA:2022:6487
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM bevestigd ondanks Chavez-Vilchez-verblijfsrecht
Eiseres, met de Kaapverdische nationaliteit, en haar minderjarige Nederlandse dochter (referente) voeren een procedure tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro, het recht op gezinsleven.
Verweerder had de aanvraag afgewezen omdat eiseres reeds een verblijfsrecht bezit op basis van het Chavez-Vilchez-arrest, dat bescherming biedt tegen gedwongen scheiding en inmenging in het gezinsleven. De rechtbank oordeelt dat dit verblijfsrecht, ondanks zijn tijdelijke karakter en beperkingen zoals het ontbreken van naturalisatie, voldoende bescherming biedt voor het gezinsleven.
Eiseres stelde dat een materiële beoordeling van haar aanspraak op grond van artikel 8 EVRM Pro vereist is, ook zonder concrete inmenging, en dat het Chavez-Vilchez-verblijfsrecht onvoldoende bescherming biedt. De rechtbank verwierp deze stellingen, omdat geen concrete feiten zijn gesteld die aantonen dat het verblijfsrecht haar gezinsleven daadwerkelijk belemmert.
Ook het beroep op het privéleven faalt om dezelfde redenen. De rechtbank volgt de lijn dat de beoordeling moet plaatsvinden naar de feitelijke situatie ten tijde van het besluit, niet op basis van een hypothetische uitzetting.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag bevestigd. De rechtbank merkt op dat de kwestie van duurzaam verblijfsrecht en naturalisatie buiten dit geschil valt en dat na meerderjarigheid van de dochter een nieuwe beoordeling zal plaatsvinden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.