ECLI:NL:RBDHA:2022:6542
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
Eiser, een Tunesische vreemdeling, is sinds 28 april 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep getoetst aan de rechtmatigheid van de bewaring sinds de vorige uitspraak op 11 mei 2022.
Eiser stelde dat de maatregel onredelijk lang zou duren vanwege uitblijven van reactie op zijn laissez-passeraanvraag bij de Tunesische autoriteiten, wat volgens hem in strijd is met artikel 5 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde echter dat het ontbreken van een reactie sinds 9 mei 2022 onvoldoende is om te concluderen dat de bewaring onredelijk lang zal duren. Tevens is eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij geen laissez-passer zal ontvangen.
De rechtbank verwees naar artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn, waarin een maximale duur van bewaring van zes maanden met mogelijke verlenging tot achttien maanden is bepaald. Eiser zit iets meer dan twee maanden in bewaring, wat binnen deze termijn valt. Ook is de medewerkingsplicht van eiser van belang, die hij niet kan ontlopen door niet mee te werken aan bijvoorbeeld een coronatest.
Op grond van deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.