ECLI:NL:RBDHA:2022:6614

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 maart 2022
Publicatiedatum
7 juli 2022
Zaaknummer
9686716 / EJ VERZ 22-80703
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:671b lid 9 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding met vergoeding

De werkgever heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. De werknemer erkende tijdens de zitting dat de arbeidsrelatie zodanig verstoord is dat voortzetting redelijkerwijs niet van de werkgever kan worden verlangd. Beide partijen waren het eens dat herplaatsing niet mogelijk is.

De kantonrechter oordeelde dat er een redelijke grond voor ontbinding bestaat conform artikel 7:671b lid 1 onderdeel a, in verbinding met artikel 7:669 lid 3 onderdeel Pro g BW. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 augustus 2022, rekening houdend met een opzegtermijn van vier maanden.

Daarnaast werd de werkgever veroordeeld tot betaling van een beëindigingsvergoeding van €22.500 en een vergoeding van maximaal €1.500 exclusief btw voor advocaatkosten. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. De beschikking is uitgesproken tijdens de openbare zitting op 22 maart 2022.

Uitkomst: Arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 augustus 2022 met toekenning van een beëindigingsvergoeding van €22.500 aan de werknemer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda
AK
Rep.nr.: 9686716 \ EJ VERZ 22-80703
Datum: 22 maart 2022
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap Lieftink Productie B.V.,
gevestigd te Alphen aan den Rijn,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. L.P. Wille,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
gemachtigde: mr. E.J.W. Schuijlenburg.
Partijen worden aangeduid als “de werkgever” en “de werknemer”.

1.Het procesverloop

1.1.
De werkgever heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. De werknemer heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
Op 11 maart 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2.De beoordeling

2.1.
De werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan dit verzoek legt de werkgever ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding en dat herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk is.
2.2.
De werknemer heeft erkend dat inmiddels sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook de werknemer ziet geen mogelijkheden meer voor herplaatsing.
2.3.
Nu de werknemer heeft erkend dat de arbeidsverhouding verstoord is, en partijen het erover eens zijn dat die verstoring onherstelbaar is en herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk moet worden geacht, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid Pro 3, onderdeel g, BW, en is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van de werknemer.
2.4.
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een opzegtermijn van vier maanden. Daarvan uitgaande zal de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 9, onderdeel a, BW worden ontbonden met ingang van 1 augustus 2022.
2.5.
Partijen zijn het er ook over eens dat de werknemer aanspraak heeft op een beëindigingsvergoeding van € 22.500,=. De werkgever zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding.
2.6.
De werkgever heeft ter zitting te kennen gegeven dat geen gebruik zal worden gemaakt van de bevoegdheid om het verzoek in te trekken. De werkgever hoeft daarom ook geen gelegenheid te krijgen voor intrekking.
2.7
De werkgever heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij aan werknemer een bedrag van maximaal € 1.500,= exclusief btw aan advocaatkosten zal vergoeden. De werkgever zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding.
2.8
Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen verder ieder hun eigen proceskosten dragen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2022;
3.2.
veroordeelt de werkgever om aan de werknemer een beëindigingsvergoeding te betalen van € 22.500,=;
3.3
veroordeelt de werkgever om aan de werknemer een bedrag van maximaal € 1.500,= exclusief btw aan advocaatkosten te vergoeden;
3.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. P.M. Frinking en uitgesproken ter openbare zitting van 22 maart 2022.