ECLI:NL:RBDHA:2022:6772
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen feitelijke Dublin-overdracht aan Italië
Verzoeker maakte bezwaar tegen zijn voorgenomen feitelijke overdracht aan Italië op grond van de Dublinverordening en verzocht om een voorlopige voorziening om deze overdracht te voorkomen. De overdracht stond gepland op 5 juli 2022, terwijl het bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening op 1 juli 2022 werden ingediend.
De voorzieningenrechter overwoog dat de voorgenomen overdracht als een beschikking wordt aangemerkt en dat bezwaar openstaat. De rechtbank had eerder op 8 juni 2022 geoordeeld dat de overdracht aan Italië rechtmatig is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Verzoeker had geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een ander oordeel rechtvaardigen.
Verzoeker stelde dat de overdracht in strijd is met artikel 3 EVRM Pro en dat verweerder onvoldoende rekening hield met bijzondere omstandigheden, waaronder de lange duur van de procedure. De voorzieningenrechter vond deze stellingen onvoldoende onderbouwd en zag geen reden om af te wijken van het eerdere oordeel.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en het bezwaar tegen de feitelijke overdracht als kansloos beoordeeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de feitelijke overdracht aan Italië wordt afgewezen.