Uitspraak
Rechtbank den haag
[partij D2] ,handelende onder de naam [Handelsnaam D] , te [plaats 2] ,
KONINKLIJK NEDERLANDS VERVOERte Den Haag,
FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGINGte Utrecht,
CNV VAKMENSEN.NLte Utrecht,
1.De procedure
2.De incidenten tot voeging
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling van het geschil
naar zijn oordeelbelangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen. Verder blijkt uit jurisprudentie van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2011:BR6877) dat de minister een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag welke bronnen aan de gegevensverstrekking voor de vaststelling van de representativiteit ten grondslag gelegd mogen worden. Uit de hiervoor bedoelde uitspraak van 7 september 2011 blijkt verder dat in sommige branches het tellen van aantallen werknemers minder eenduidig is dan bij andere branches, zodat het gebruik van verschillende gegevensbronnen en methodieken bij deze telling denkbaar is. Verder is geoordeeld dat de minister op goede gronden een bepaald soort arbeid niet heeft meegeteld bij de berekening van het representativiteitsvereiste en dat de omstandigheid dat die arbeid niet van de werkingssfeer van de cao’s is uitgezonderd, daar niet aan af doet. Alhoewel het in die uitspraak in het bijzonder gaat om verboden arbeid - wat hier uitdrukkelijk niet aan de orde is - vormt dit wel een bevestiging van de ruime beoordelingsvrijheid van de minister op dit vlak. Uit deze uitspraak volgt verder dat de minister de doelstelling van voormelde bepaling kan betrekken bij zijn beslissing, te weten het waarborgen van goede en stabiele arbeidsverhoudingen in een bedrijfstak en het tegengaan van neerwaartse loonconcurrentie. Ook de Hoge Raad gaat ervan uit dat de minister in deze een ruime mate van beleids- en beoordelingsruimte toekomt blijkens zijn uitspraak van 7 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:537). Daarin overweegt de Hoge Raad dat het oordeel van het Gerechtshof dat het gebruik van verschillende gegevensbronnen en methodieken bij het tellen van aantallen werknemers in een bepaalde branche (de uitzendbranche) minder eenduidig is dan bij werknemers met een vast, dan wel vaster, dienstverband denkbaar is, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad laat ook het oordeel van het hof in stand dat het begrip “werkzame personen” in artikel 2, eerste lid, Wet avv ruimte laat voor de minister om het aantal in de bedrijfstak werkzame personen gemeten in fte’s tot uitgangspunt te nemen.
Drivers under partner” mogelijk ook al als werknemer zijn meegerekend door de cao-partijen, omdat zij bijvoorbeeld bij een (andere) werkgever in dienst zijn en om die reden bij het Pensioenfonds zijn geregistreerd. In het rapport van KPMG wordt de mogelijkheid van een dergelijke dubbeltelling ook expliciet onderkend. Verder blijkt niet uit het rapport wanneer bepaalde chauffeurs de app hebben gedownload en hebben gereden, zodat niet duidelijk is hoeveel actieve gebruikers er waren op de peildatum, hetgeen wel zeer relevant is. Uber heeft dit onvoldoende weerlegd.