Conclusie
Inleiding en samenvatting
Deliveroo-arrest van 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443). Ik begrijp de vragen zo, dat deze gericht zijn op de vraag wat binnen het
Deliveroo-toetsingskader de betekenis is van het gezichtspunt dat de werkende “
zich in het economisch verkeer als ondernemer gedragen of kan gedragen” (‘persoonlijk ondernemerschap’).
Deliveroozijn genoemd, geen uitsluitsel geeft over de vraag of een arbeidsrelatie als arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Voor deze opvatting pleit met name dat het op grond van de wet niet de persoon van de werkende, maar
de arbeidsrelatieis die gekwalificeerd moet worden. Daarbij past niet dat ‘gedragingen van de werkende in het economisch verkeer’ steeds van belang zouden kunnen zijn bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Die gedragingen liggen namelijk
buitendie arbeidsrelatie. Dergelijke gedragingen kunnen dus niet ‘de balans doen omslaan’, als aan de hand van de eerdere gezichtspunten is geoordeeld dat de arbeidsrelatie als arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd.
Deliveroo.
“algemeen oordeel over de kwalificatie van de arbeidsrelatie van een groep werkers, allen werkzaam bij dezelfde opdrachtgever/werkgever”kan plaatsvinden
,of dat dit,
“gelet op de procedurele waarborgen die daarbij gelden”slechts kan geschieden in het kader van een procedure als bedoeld in art. 3:305a BW. Deze vraag begrijp ik zo, dat wordt bedoeld te vragen of een
algemeenoordeel over de kwalificatie van de arbeidsrelatie van een groep werkenden, allen werkzaam bij dezelfde werkverschaffer, kan plaatsvinden in het kader van een vordering als bedoeld in artikel 3 lid 2 Wet Pro AVV, als niet kan worden uitgesloten dat de arbeidsrelatie niet voor alle werkenden op dezelfde wijze moet worden gekwalificeerd.
2.Feiten
2.Feiten
(…).
6.Uw verplichtingen.
7.Het gebruik van de Partner-app.
8.Ritprijzen.
9.De Servicekosten.
10.Betalingsbewijzen.
11.Belastingen.
3.Procesverloop
Groen/Schoeversen
Participatieplaats,geen toetsing van de overeenkomst tussen een individuele chauffeur en Uber plaatsvindt, nu de vordering van FNV ziet op
allechauffeurs die in persoon voor Uber rijden. Naar het oordeel van de rechtbank staat dit echter niet in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van de rechtsverhouding, nu de uitgangspunten voor iedere chauffeur die de Uber-app gebruikt, dezelfde zijn (rov. 16). Op basis van het geldende toetsingskader (rov. 17-18), overweegt de rechtbank als volgt:
Deliveroo-arrest van de Hoge Raad tot uitgangspunt. Vervolgens past het hof de in het
Deliveroo-arrest genoemde gezichtspunten toe op de voorliggende feiten (rov. 5.5).
Deliveroo-arrest genoemde gezichtspunten overweegt het hof dan achtereenvolgens het volgende (samengevat weergegeven):
Aard en duur van de werkzaamheden: het gaat om het vervoer van personen met een taxi; de daartoe gesloten Aansluitingsovereenkomst is voor onbepaalde tijd aangegaan en heeft het karakter van een raamovereenkomst; een dergelijke figuur kan zowel in het kader van een arbeidsovereenkomst als van een andersoortige overeenkomst zoals een opdrachtovereenkomst, geschieden (rov. 5.5.1);
Wijze waarop werkzaamheden en werktijden worden bepaald: de chauffeurs hebben een zeer grote vrijheid te bepalen wanneer zij hun werkzaamheden verrichten; Uber verbindt er amper consequenties aan of een chauffeur wel of niet inlogt; eenmaal ingelogd oefent Uber wel een zekere druk uit om niet uit te loggen; Uber bepaalt grotendeels hoe de werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd; de chauffeur heeft zich te houden aan de door Uber opgestelde regels omtrent de omgang met passagiers; Uber vraagt de passagiers de chauffeur te beoordelen en vraagt de chauffeurs de passagiers te beoordelen; Uber schrijft voor hoe de passagiers moeten betalen (in beginsel via Uber Pay) en passagiers dienen eventuele klachten te richten aan Uber en niet rechtstreeks aan de chauffeurs. Daarmee heeft de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald zowel elementen die wijzen op de aanwezigheid als op de afwezigheid van een arbeidsovereenkomst (rov. 5.5.2);
Inbedding van werk en werker: de door de chauffeur uitgeoefende werkzaamheden zijn ingebed in de organisatie van Uber; ook de chauffeurs zijn ingebed in de organisatie van Uber; weliswaar vindt er niet veel contact plaats tussen de chauffeurs en Uber, maar dat is inherent aan de aard van de werkzaamheden; een chauffeur tegen wie een klacht is ingediend wordt door Uber uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van Uber. Dat gebeurt ook met een chauffeur die naar het oordeel van Uber op een onjuiste manier omgaat met de Uber-app (bijvoorbeeld door het structureel accepteren en vervolgens weigeren van ritten). Daarmee is voldaan aan het inbeddingscriterium, hetgeen een aanwijzing oplevert voor de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst (rov. 5.5.3);
Persoonlijk verrichten van werk: de chauffeur is verplicht de door hem geaccepteerde werkzaamheden persoonlijk te verrichten. Nu Uber erop heeft gewezen dat deze verplichting enkel het gevolg is van de wettelijke verplichting van een chauffeur om te beschikken over een chauffeursdiploma, is het hof van oordeel dat deze verplichting niet zoveel zegt over het al dan niet kwalificeren van de overeenkomst als arbeidsovereenkomst (rov. 5.5.4);
Wijze van totstandkoming van contract: de Aansluitingsovereenkomsten zijn door Uber opgesteld en ter acceptatie aan de chauffeurs voorgelegd; hetzelfde geldt voor wijzigingen in de overeenkomsten die van tijd tot tijd door Uber worden doorgevoerd; er is daarom geen sprake van de situatie dat door twee gelijkwaardige partijen wordt onderhandeld over de inhoud van de overeenkomst, maar juist van een situatie waarin de chauffeurs bij de totstandkoming daarvan geen enkele invloed hebben gehad en dus in die zin afhankelijk waren van Uber. Dit past volgens het hof eerder bij een arbeidsovereenkomst dan bij een overeenkomst van opdracht (rov. 5.5.5);
Beloning en commercieel risico: de hoogte van de beloning wordt uitsluitend door Uber bepaald; de chauffeur heeft daarmee vrijwel geen enkele winstkans, anders dan door veel ritten te accepteren; de chauffeur loopt ook weinig commercieel risico want niet is gebleken dat Uber betalingen waarop contractueel aanspraak bestaat, niet uitkeert; de beloning wordt via Uber dan wel een aan haar gelieerde onderneming (Uber Pay) uitgekeerd. Dit past al met al beter bij de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst dan bij de afwezigheid daarvan (rov. 5.5.6).
Deliveroo-arrest genoemde omstandigheden ertoe leidt dat de elementen die bijdragen aan de kwalificatie ‘arbeidsovereenkomst’ zwaarder wegen dan de elementen die daarvoor een contra-indicatie vormen. Ook is niet gebleken dat een of meer van deze omstandigheden onverenigbaar zijn met het kwalificeren van de Aansluitingsovereenkomst als arbeidsovereenkomst (rov. 5.6).
Deliveroo-arrest het aantal opdrachtgevers wel expliciet is benoemd (rov. 5.6).
Deliveroo-arrest heeft overwogen op dit moment geen aanleiding te zien voor rechtsontwikkeling ter zake van de omstandigheden die de kwalificatie als arbeidsovereenkomst bepalen, mede ter afgrenzing van het werken als zelfstandig ondernemer, omdat dit onderwerp de aandacht van de Nederlandse en Europese wetgever heeft (rov. 5.7).
4.Algemene context
Uber
“organisatorisch verband”dat
“een verbetering van de kwaliteit van taxivervoer ten doel”heeft. [26] Deze verplichting kan slechts in het leven worden geroepen met het oog op de zogenoemde opstapmarkt, waarmee wordt gedoeld op taxivervoer vanaf een standplaats en het aanhouden van een taxi op straat. [27] In de praktijk werden met name binnen dat onderdeel van de taximarkt, en vooral in de grote steden, hardnekkige problemen gesignaleerd op het punt van de kwaliteit van het straattaxivervoer, mede in relatie tot de consumentenprijzen. Met de invoering van TTO’s moesten taxichauffeurs die op de opstapmarkt werken aan extra kwaliteitseisen voldoen, waarbij de gedachte was dat de kans op daadwerkelijke borging en naleving van deze kwaliteitsgaranties het grootst is wanneer de taxichauffeurs onderdeel uitmaken van een organisatorisch verband. [28] Slecht presterende chauffeurs kunnen worden uitgesloten van deelname aan de TTO. [29]
bestelmarkt. Daar gelden de genoemde regels niet.
ratingvan een chauffeur. [47] Ook kan de hoogte van de kosten die chauffeurs hebben sterk uiteenlopen. Verder moet worden bedacht dat het eigen is aan een platform dat de prijs niet wordt bepaald in een directe relatie tussen degene die de dienst verleent en de degene die de dienst afneemt, maar dat het het platform is dat de prijs bepaalt. Dat betekent dat er geen noodzakelijke samenhang is tussen de prijs die de passagier voor een rit aan Uber betaalt en de prijs die Uber voor de rit betaalt aan de chauffeur. [48]
Driver’s Profile,
Tagsdie Uber gebruikt in het klantenservicesysteem (zoals ‘
inappropriate behavior’ of ‘
police tag’),
Reports(gebaseerd op feedbackmeldingen die passagiers over de betreffende chauffeur hebben gegeven over onder andere ‘
navigation’ en ‘
professionalism’), de start- en eindlocatie per individuele passagier, de door individuele passagiers gegeven
ratings,de data die Uber verwerkt over rijgedrag, gebruik van de telefoon tijdens de rit en het percentage geaccepteerde ritten door een chauffeur en het algoritme dat Uber gebruikt bij het
upfront pricing-systeem
.De rechtbank Amsterdam heeft alleen het verzoek om inzage in de (geanonimiseerde)
ratingsvan passagiers toegewezen. [52] In hoger beroep heeft het hof het verzoek ruimer toegewezen. Uber is veroordeeld tot het verstrekken van inzage in persoonsgegevens met betrekking tot ‘
Driver detailed device data’, ‘
upfront pricing’ en ‘
for legal reasons or in the event of a dispute’, voor zover de verwerkte gegevens betrekking hebben op de betrokken individuele chauffeur. Ook is Uber veroordeeld om informatie te verstrekken over het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming in de zin van de AVG, voor zover dat verzoek ziet op het ‘
batched matching systeem’en het ‘
upfront pricing systeem’, al dan niet in combinatie met het door Uber gehanteerde systeem van dynamische tarieven alsmede de vaststelling van (gemiddelde) beoordelingen. [53]
nietaan het meerderheidsvereiste was voldaan. Nu de uitspraak in eerste aanleg nog niet onherroepelijk is geworden en Uber bovendien zelf ook betwist dat de chauffeurs onder de werkingssfeer van de cao vallen (en ook geen uitvoering geeft aan het vonnis in eerste aanleg), zag de minister geen aanleiding om de Uber-chauffeurs reeds in de representativiteitstoets te betrekken. [63]
feedaarop gecorrigeerd;
‘state-approved car hire or taxi companies’die over het algemeen de verplichting hebben chauffeurs als werknemer in dienst te nemen. [73]
‘dienst op het gebied van het vervoer’in de zin van art. 58 lid 1 VWEU Pro. [74] Daarmee is UberPop géén bemiddelingsdienst, wat tot gevolg heeft dat noch de Richtlijn Elektronische handel, noch de Dienstenrichtlijn noch art. 56 VWEU Pro van toepassing is op de activiteiten van UberPop. Dat heeft concreet tot gevolg dat de vergunningsplicht in de stadsregeling voor taxi’s van de gemeente Barcelona niet aan de Richtlijn Elektronische handel, de Dienstenrichtlijn of art. 56 VWEU Pro hoeft te worden getoetst; UberPoP moet dus voldoen aan de vergunningsplicht. [75]
Participatieplaats-arrest. [78]
5.‘Ondernemerschap’ en ‘persoonlijk ondernemerschap’ in het Deliveroo-arrest
Deliveroo-arrest uit 2023 heeft de Hoge Raad, mede onder verwijzing naar het toetsingskader uit het
Participatieplaats-arrest uit 2020, overwogen dat de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. [79] Daarmee bevestigt de Hoge Raad dat bij deze beoordeling een ‘totaalweging’ moet plaatsvinden. Deze ‘totaalweging’ is door de Hoge Raad als volgt omschreven (rov. 3.2.5): [80]
daadwerkelijk betekenisheeft voor de werkende. Hiermee wordt een dam opgeworpen tegen ‘strategisch contracteren’. [81]
Deliveroo. De rechter moet ervoor waken zich te laten leiden door – eenzijdig door de werkverschaffer opgestelde – contracten, waarin de rechten en plichten van de werkende precies zo zijn vormgeven dat op het eerste gezicht geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, terwijl de realiteit heel anders is. Het is die realiteit waar de rechter naar moet kijken.
Deliveroois verder nog op te merken dat uit de overwegingen volgt dat het steeds gaat om gezichtspunten die
kunnenworden betrokken bij de beoordeling. Dat betekent dat geen sprake is van een limitatieve opsomming van gezichtspunten en dat ook niet gezegd is dat elk gezichtspunt steeds aan bod moet komen. Mede gelet op wat in de vorige alinea is vermeld, betekent dit ook dat niet elk gezichtspunt steeds even relevant is.
Deliveroo-arrest.
of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.” [82]
(‘Van belang … commercieel risico’),welke omstandigheden hierboven zijn beschreven onder 5.6.1 tot en met 5.6.6,
leiden ertoe dat de elementen die bijdragen aan de kwalificatie ‘arbeidsovereenkomst’ zwaarder wegen dan de elementen die daarvoor een contra-indicatie vormen.Ook is niet gebleken dat een of meer van deze omstandigheden onverenigbaar zijn met het kwalificeren van de aansluitingsovereenkomst als arbeidsovereenkomst.
Het ondernemerschap van de Chauffeurs en de overige chauffeurs zou die balans wellicht kunnen doen omslaan.”
“balans wellicht[zou]
kunnen doen omslaan”. Hieruit blijkt m.i. duidelijk dat het het hof gaat om gezichtspunt (ix), en mede om de vraag hoe dit gezichtspunt zich verhoudt tot gezichtspunt (viii), waarbij het in de visie van het hof óók draait om ondernemerschap. Het hof vraagt zich vanuit deze gedachte af of hier wellicht ‘intern’ en ‘extern’ ondernemerschap moeten worden onderscheiden.
aard en duur van de werkzaamheden. Kortlopende werkzaamheden duiden eerder op ondernemerschap dan langlopende werkzaamheden (‘duur van de werkzaamheden’). De afwezigheid van bepaalmacht van de werkverschaffer ten aanzien van de werkzaamheden en werktijden van de werkende (gezichtspunt (ii)) duidt op ondernemerschap. En het níet ingebed zijn van de werkzaamheden en de werker in de organisatie van de werkverschaffer (gezichtspunt (iii)) is ook een indicatie voor ondernemerschap. Steeds zijn deze indicaties voor ondernemerschap dus contra-indicaties voor werknemerschap.
of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Als dat het geval is, wijst dat op ondernemerschap, zodat daarmee ook sprake is van een contra-indicatie voor werknemerschap. Op te merken is dat gezichtspunt (viii) in het arrest van de Hoge Raad duidelijk is toegespitst op de werkzaamheden die
binnende specifieke arbeidsrelatie worden verricht. Het gaat dus niet om de veel ruimere vraag of de werker in het algemeen commercieel risico loopt. Het hof duidt gezichtspunt (viii) aan als
intern ondernemerschap(rov. 5.6, tweede tekstblok).
in algemene zinbinnen het toetsingskader van het
Deliveroo-arrest (in de woorden van het hof: zowel intern als extern ondernemerschap), de vragen minder zinvol zijn. Bij
allegezichtspunten van
Deliveroogaat het er niet alleen om of er feiten en omstandigheden zijn die wijzen op werknemerschap, maar steeds ook of er – als contra-indicatie voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst – sprake is van feiten en omstandigheden die juist wijzen op ondernemerschap. Immers, het werken als werknemer binnen een bepaalde werkrelatie
sluit uitdat binnen diezelfde verhouding als ondernemer wordt gewerkt. Werknemerschap en ondernemerschap zijn in die zin spiegelbeeldig. Met andere woorden, als de uitkomst van een beoordeling van een arbeidsrelatie aan de hand van het toetsingskader van
Deliveroois dat sprake is van werknemerschap, is daarmee ook gezegd dat géén sprake is van ondernemerschap. Een algemene vraag naar de betekenis van ondernemerschap binnen het toetsingskader van
Deliveroois daarmee zinloos; het al dan niet zijn van ondernemer is geheel verweven met het toetsingskader. Ondernemerschap van de werkende kan dus onmogelijk “
buiten beschouwing worden gelaten”, zoals het hof in de vraagstelling aanneemt.
Deliveroovan toepassing om te beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst (of van bijvoorbeeld een stageovereenkomst). Maar in verreweg de meeste gevallen speelt de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst tegen de achtergrond van de afbakening van de werkende als ondernemer. In die situatie gaat het erom of er feiten en omstandigheden zijn die wijzen op werknemerschap, maar steeds ook, als contra-indicatie, of er feiten en omstandigheden zijn die juist wijzen op ondernemerschap.
arbeidsrelatie, dus op feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de werkzaamheden en de vormgeving daarvan binnen de te beoordelen arbeidsrelatie, geldt dat níet voor gezichtspunt (ix). Dat gezichtspunt heeft betrekking op feiten en omstandigheden die zien op
gedragingen van de werkende ‘in het economisch verkeer’en die daarmee losstaan van de te kwalificeren arbeidsrelatie. [84] Dit maakt het gezichtspunt complex en dit zal ook de reden zijn dat het hof Amsterdam de prejudiciële vragen heeft gesteld.
persoonlijk ondernemerschap’. Het gaat hier dus om feiten en omstandigheden die betrekking hebben op
het gedrag van de betrokken werker in het economisch verkeer, en daarmee dus om feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de werkende, los van de te beoordelen arbeidsrelatie.
Deliveroo-arrest. ‘Ondernemerschap’ van de werkende in de te kwalificeren arbeidsrelatie is als zodanig geen gezichtspunt maar de uitkomst van de toetsing: is sprake van werknemerschap of, spiegelbeeldig, van ondernemerschap. Alle gezichtspunten uit
Deliveroohebben betrekking op die vraag.
Deliveroo-arrest, gevolgd door een bespreking van het concept-wetsvoorstel VBAR en de rol die ‘persoonlijk ondernemerschap’ daarin speelt in hoofdstuk 7. In hoofdstuk 8 wordt ondernemerschap en persoonlijk ondernemerschap in de rechtspraak van het HvJ EU besproken. In hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de invulling van het gezichtspunt ‘persoonlijk ondernemerschap’, en hoofdstuk 10 gaat nog in op de nieuwe concept-Richtlijn platformarbeid. In hoofdstuk 11 volgt de beantwoording van de door het hof gestelde prejudiciële vragen 1 tot en met 3.
6.‘Persoonlijk ondernemerschap’ als gezichtspunt in het Deliveroo-arrest
buitende arbeidsrelatie (waarmee de werkverschaffer niet bekend hoeft te zijn), maar ook omdat dit ertoe kan leiden dat dezelfde werkzaamheden verschillend gekwalificeerd moeten worden. In de tweede plaats is er onduidelijkheid over de vraag of gezichtspunt (ix) in de uitleg- of in de kwalificatiefase moet worden gepositioneerd. In de derde plaats is geschreven over de vraag hoe het zich als ondernemer
“kunnen gedragen”moet worden opgevat. In het navolgende zal deze kritiek worden langsgelopen.
buitende te kwalificeren arbeidsverhouding voordoet. Volgens de auteur ontstaat hierdoor het risico dat een gelijkluidende overeenkomst die op dezelfde wijze wordt uitgevoerd, voor de ene werkende wel als arbeidsovereenkomst kwalificeert en voor de andere niet (dat is trouwens ook wat het hof overweegt in rov. 5.6).
“Die uitkomst lijkt ongewenst en onbedoeld”,aldus Verhulp in zijn
NJ-noot. [85] Verhulp neemt daarbij ook een voorschot op de beantwoording van de voorliggende vragen (mijn onderstrepingen):
Uber-beschikking heeft dit hof (…) concept-prejudiciële vragen geformuleerd die de Hoge Raad verduidelijking vragen van dit deel van de overweging.
Naar mijn mening zal het antwoord op de vraag moeten zijn dat de ruimte die de te kwalificeren overeenkomst biedt om naast de uitvoering van deze overeenkomst als echte zelfstandige werkzaam te zijn, voor de kwalificatie van de overeenkomst een omstandigheid is van gering, of zelfs te verwaarlozen belang. Een voorbeeld ter verduidelijking: een violist heeft leerlingen geworven via een prikbord in de supermarkt, hij speelt in een door hem opgericht trio en hij speelt af en toe op straat. Allemaal werkzaamheden die hij verricht als zelfstandige. Deze violist sluit een overeenkomst als remplaçant bij een orkest waar hij gemiddeld 8 uur per week repeteert en speelt. Het is in mijn visie niet denkbaar maar ook onwenselijk dat de laatste overeenkomst vanwege de andere activiteiten van de violist als opdrachtovereenkomst zou moeten worden gekwalificeerd. (…)”
Deliveroo-gezichtspunten.
“twee zelfstandigen die verder in dezelfde omstandigheden verkeren de ene keer wel en de andere keer niet als werknemer kunnen worden geherkwalificeerd.” [86] Deze aanpak leidt weliswaar tot genuanceerde oordelen, maar dit kan ook tot moeilijk uitlegbare verschillen leiden, aldus Van Slooten. Dit geldt temeer doordat kennelijk ook kan meespelen of de werkende zich in het economisch verkeer als ondernemer
kangedragen, aldus Van Slooten. Hij noemt daarbij ook nog als probleem hoe de werkverschaffer met zekerheid kan weten of iemand die zegt ondernemer te zijn zich ook eerder en elders zo heeft gedragen. Verder schrijft Van Slooten dat de belangrijkste vraag is
hoehet ondernemerschap meeweegt: [87]
“Ook kan van belang zijn …”).Dit zou er volgens hem op duiden dat de voorafgaande gezichtspunten (i) tot en met (viii) art. 7:610 BW Pro kleuren, en dat gezichtspunt (ix) juist een contra-indicatie vormt voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. [89] Duk oppert zelfs dat het belang van ondernemerschap op het laatste moment aan het
Deliveroo-arrest lijkt te zijn toegevoegd, en merkt vervolgens op:
“de formulering van deze omstandigheid, zonder opname “in de lijst” lijkt wat van een “nagekomen gedachte”.” [90]
“in relatie tot de te beoordelen contractuele verhouding met de werkverschaffer.” [92] Het zijn van ondernemer in het economisch verkeer
sec,zegt volgens de auteur bovendien weinig, te meer omdat moderne werkenden vaak
“ook een beetje ondernemer”zijn, bijvoorbeeld doordat zij een paar dagen in dienstbetrekking werken en daarnaast ook een eigen webwinkel of betaalde hobby hebben. [93]
“Werkzaam als zzp’er en als werknemer”(2017) volgt dat in 2016 circa 230.000 zzp’ers (van de 1,2 miljoen in totaal) daarnaast nog een baan als werknemer in loondienst had. [94] Ook uit recentere cijfers blijkt dat veel zzp’ers het werken als zelfstandige combineren met werken in loondienst. Zo laten cijfers van het CBS zien dat in 2022 circa 247.000 zzp’ers ook in loondienst werkzaam waren. [95] In 2023 combineerden circa 254.000 zzp’ers het werken als zelfstandige met een baan als werknemer. [96]
Deliveroozou kunnen worden afgeleid dat de Hoge Raad bedoeld heeft een prominente(re) rol aan het ondernemerschap toe te kennen. Dat zouden zij toejuichen, zo schrijven de auteurs, want “
het is namelijk een duidelijk onderscheidend criterium dat naar wij menen bovendien eenvoudig is te hanteren. Het is niet moeilijk om omstandigheden aan te wijzen die (al dan niet) wijzen op ondernemerschap ‘in’ de rechtsverhouding. En een ondernemer zou toch betrekkelijk gemakkelijk documentatie moeten kunnen overleggen waaruit blijkt dat hij voor meerdere opdrachtgevers werkt, acquisitie pleegt et cetera.”
civielrechtelijkebeoordeling niet de persoon van de werkende, maar de
arbeidsrelatieis die gekwalificeerd moet worden. Dat leidt direct tot een sterke relativering van de betekenis voor die kwalificatie van gedragingen van de werkende in het economisch verkeer. Deze gedragingen zijn immers gelegen ‘in het economisch verkeer’ en zijn daarmee niet noodzakelijkerwijs gerelateerd aan feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de arbeidsrelatie die gekwalificeerd moet worden. De werkverschaffer is wellicht ook helemaal niet bekend met de gedragingen van de werkende in het economisch verkeer. Het (moeten) meewegen van dergelijke gedragingen zou er bovendien toe leiden dat het antwoord op de kwalificatievraag nóg onvoorspelbaarder wordt. Die onvoorspelbaarheid is, zowel vanuit de wetenschap als vanuit de praktijk, juist een van de grote punten van kritiek ten aanzien van het huidige toetsingskader.
wensvan een of beide partijen dat de arbeidsrelatie wordt aangemerkt als arbeidsovereenkomst is niet van belang.
Deliverooinvulling geeft aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst in art. 7:610 BW Pro. Het toetsingskader is niet bedoeld om vast te stellen of een werkende al dan niet als
ondernemermoet worden aangemerkt. Het toetsingskader geeft invulling aan art. 7:610 BW Pro, dus aan de wettelijke elementen loon, arbeid en gezag. Persoonlijk ondernemerschap van de werkende is geen wettelijk element. Het toekennen van een meer prominente rol aan persoonlijk ondernemerschap, past dan ook niet binnen het wettelijke kader.
Deliveroo-arrest indirect wel iets kan zeggen over ondernemerschap, omdat werknemerschap uitsluit dat sprake is van ondernemerschap. Alle feiten en omstandigheden die een indicatie vormen voor werknemerschap, zijn dus een contra-indicatie voor ondernemerschap, en andersom (zie onder 5.10-5.13).
tot een bepaalde werkverschaffermoet worden bekeken, zodat het erom gaat wat die specifieke werkverschaffer weet of redelijkerwijs had moeten weten over het ondernemerschap van de werkende in kwestie. [99]
“als de werkende zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, partijen vermoedelijk eerder voor ogen hebben (gehad) dat ook in de rechtsverhouding met de werkverschaffer in kwestie, de werkende mede het economisch risico van het resultaat van de arbeid zou dragen.”Daarmee plaatst ook Van der Neut het negende gezichtspunt in de uitlegfase. De auteur betoogt immers dat wanneer in algemene zin sprake is van ondernemerschap (uitlegfase), er minder snel sprake is van een gezagsverhouding in de ter kwalificatie voorliggende rechtsverhouding (kwalificatiefase). [100]
Haviltex-criterium, zij het dat ook zij het opvallend noemen dat hier dan kennelijk omstandigheden worden betrokken die betrekking hebben op de wijze waarop de werkende zich tegenover
anderenopstelt. [101] Barentsen en Sagel merken echter ook op dat de uitleg- en kwalificatiefase niet altijd even eenvoudig van elkaar te onderscheiden zijn, en in zekere mate in elkaar overlopen. [102]
“kleurt”die in de arbeidsrelatie zelf zitten: [103]
Helpling. [104]
Deliveroo-arrest dat van belang kan zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer
gedraagt of kan gedragen. In de literatuur zijn verschillende zienswijzen de revue gepasseerd over de betekenis hiervan
.Zo schrijft Van Slooten: [105]
kan gedragen” en “het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt
of heeft gewerkt” (onderstreping toegevoegd; JvS). Dat ook het verleden in acht moet worden genomen ligt voor de hand, maar waaraan moeten we denken bij iemand die zich als ondernemer kan gedragen? Hebben we het dan over iemand die twee maanden als consultant fulltime ingebed is in een organisatie, maar wel een onderneming heeft waarmee hij zich na die opdracht weer als ondernemer gaat gedragen?”
geabstraheerdde vraag moet worden gesteld of de persoon in kwestie al dan niet als ondernemer moet worden beschouwd. Ook zou daarin enige ruimte kunnen worden gelezen voor het meewegen van de
“intentie”van de werkende: “
zou jij dit werk als ondernemer kunnen doen, maar ben je nog aan het opstarten?”De auteurs opperen vervolgens echter dat de zinsnede
“kan gedragen”volgens hen zo is bedoeld dat de zzp’er zich gedurende de opdracht als ondernemer kan blijven gedragen. Dit betekent dat de werkende zich gedurende de uitoefening van een opdracht moet kunnen blijven profileren en manifesteren als ondernemer, bijvoorbeeld
“door telefoontjes van potentiële nieuwe opdrachtgevers aan te nemen, netwerkbijeenkomsten op eigen titel bij te wonen enzovoort.” [106]
“gedraagt of kan gedragen”, tot uitdrukking heeft willen brengen dat het gedrag in het economisch verkeer zich niet op ieder moment in gelijke mate zal manifesteren. Een IT’er die bijvoorbeeld gedurende zes maanden een specialistische klus voor een werkverschaffer verricht, zal bij aanvang van die klus wellicht niet of minder aan acquisitie doen. Dat de werker zich in die periode niet als ondernemer gedraagt, neemt echter niet weg dat hij dit wel
kan. Het meewegen van het zich als ondernemer
kunnengedragen, kan dus bedoeld zijn om te voorkomen dat bij de toetsing aan gezichtspunt (ix) temporeel gezien een te beperkte beoordeling plaatsvindt.
duurzaamheidvan de onderneming. Vanuit fiscaal perspectief is het een gebruikelijke vraag of degene die zich als ondernemer presenteert inderdaad een potentieel duurzame onderneming heeft, gelet op onder meer de winstverwachting, de omvang van de investeringen en de uren die aan de onderneming worden besteed (zie ook hierna onder 9.25). Daarmee refereert het zich als ondernemer
kunnengedragen wellicht ook aan de vraag hoe levensvatbaar de onderneming van de werkende is. Het gaat er dan in feite om hoe reëel het is dat de werkende zich als ondernemer presenteert (vgl. onder 5.3 en 5.4).
Deliverooslechts een beperkte rol kan toekomen.
Deliveroo(zie onder 5.10-5.13).
persoonlijkondernemerschap, namelijk over de gedragingen van de werkende in het economisch verkeer. Daarmee heeft het gezichtspunt betrekking op feiten en omstandigheden die gelegen zijn in de persoon van de werkende en die zich niet noodzakelijkerwijs manifesteren binnen de te beoordelen arbeidsrelatie.
Deliverooslechts beperkte betekenis kan toekomen. Het doel van het toetsingskader is immers de kwalificatie van de arbeidsrelatie en niet de kwalificatie van de persoon van de werkende. Uiteindelijk gaat het bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie om de vraag of is voldaan aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst in art. 7:610 BW Pro: arbeid, loon en gezag. Het al dan niet zijn van ondernemer is geen onderdeel van die wettelijke toets en de toets is daar ook niet op gericht.
“Voortgangsbrief werken met en als zelfstandige(n)”van de minister van SZW uit 2022 (genoemd in voetnoot 8 van het
Deliveroo-arrest). [107] Daarin wordt genoemd dat bij de kwalificatievraag ook van belang is of er sprake is van ‘zelfstandig ondernemerschap’ in de betreffende arbeidsrelatie.
“Dit is een belangrijke contra-indicatie voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst”,zo vermeldt de brief. [108] Daarbij is benoemd dat in de bestaande jurisprudentie ook al aandacht wordt gevraagd voor het belang van zelfstandig ondernemerschap, die gedeeltelijk zijn ontleend aan het Handboek Loonheffingen: [109]
“Beoordeling gezagsverhouding”bij deze brief – die eveneens integraal is opgenomen in het Handboek Loonheffingen 2024 – wordt aandacht besteed aan de duur van de opdracht (vgl. rov. 3.2.5 uit
Deliveroo): zo zou een concrete afbakening van de duur van de opdracht het aannemelijker maken dat buiten gezag wordt gewerkt, terwijl het niet duidelijk formuleren van het begin- en eindpunt van de opdracht en een lange doorloop van de overeenkomst aanwijzingen voor het bestaan van een gezagsverhouding zouden vormen. [110] De overige door de Hoge Raad genoemde voorbeelden van persoonlijk ondernemerschap, zijn in (de bijlage bij) deze brief echter niet benoemd. Daarbij valt bovendien aan te tekenen dat de brief van 16 december 2022 uitdrukkelijk vermeld dat van belang is of er sprake is van zelfstandig ondernemerschap
in de betreffende arbeidsrelatie. [111] In zoverre sluit het negende gezichtspunt dus juist niet aan bij het uitgangspunt in voormelde brief.
Het gezichtspunt ‘persoonlijk ondernemerschap’ in het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR)
Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden(hierna: VBAR), dat op 6 oktober 2023 ter internetconsultatie is voorgelegd en op 21 juni 2024 in aangepaste vorm voor advies aan de Raad van State is gezonden. Het concept-wetsvoorstel dateert dus van ná het
Deliveroo-arrest, dat op 24 maart 2023 werd gewezen. In de toelichting op het concept-wetsvoorstel wordt uitvoerig stilgestaan bij de problematiek rondom schijnzelfstandigheid. [112]
“in dienst van”.Waar
Deliverooeen toetsingskader biedt voor de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst (op basis van alle elementen van art. 7:610 BW Pro, loon, arbeid en gezag), beoogt het concept-wetsvoorstel VBAR dus een verduidelijking van één van die elementen te bieden, namelijk gezag.
“in dienst van”door werkinhoudelijke of organisatorische inbedding, Z voor werken
voor “eigen rekening en risico”in de betreffende arbeidsrelatie, en OP voor “
ondernemerschap van de persoon van de werkende”.
volgordelijkheidvoor de toetsing. [115]
Deliveroo-arrest, dat aangenomen wordt dat een toetsing aan de gezichtspunten (i) tot en met (viii) ook steeds iets zegt, als contra-indicatie voor een arbeidsovereenkomst, over de vraag of sprake is van ondernemerschap (zie onder 5.10-5.13). Ook in de concept-memorie van toelichting wordt in dit verband gesproken over het spiegelbeeldig zijn van werknemerschap en ondernemerschap. [116] Daarmee is net als onder het
Deliveroo-arrest sprake van een afweging van gezichtspunten, waarbij gekeken moet worden ‘waar het zwaartepunt ligt’ in de arbeidsrelatie.
begonnenmoet worden met de vraag of er in enige mate sprake is van indicaties die wijzen op ‘werkinhoudelijke of organisatorische sturing’ en dat, als dat niet het geval is, gestopt kan worden (zie onder 7.7). De ‘totaalweging’ van
Deliveroolijkt daarmee ten aanzien van het gezagscriterium enigszins te worden losgelaten, omdat er een volgordelijkheid is aangebracht, maar ook niet helemaal: [117]
Deliveroo-gezichtspunten zijn genoemd (namelijk in gezichtspunten (i), (ii), (iii)). Maar gezichtspunt (viii) is daarentegen duidelijk ‘afgekoppeld’ en, tezamen met enkele nieuwe gezichtspunten, ondergebracht bij element (Z). Element (Z) kent namelijk de volgende aspecten: [119]
Deliveroo-arrest zie ik niet terug ((iv), (v), (vi) en (vii)). Dat zal samenhangen met het feit dat het wetsvoorstel slechts een verduidelijking wil geven van het gezagscriterium, terwijl
Deliveroobetrekking heeft op álle elementen van art. 7:610 BW Pro (vgl. onder 7.2).
binnende voorliggende arbeidsrelatie voordoen. Het ‘naar buiten treden van de werkende’ – dat je zou kunnen zien als een aspect van persoonlijk ondernemerschap is immers nadrukkelijk gepositioneerd
tijdens de werkzaamheden(dus niet: in het economisch verkeer). En ook de andere genoemde gezichtspunten zijn gerelateerd aan ‘
de werkzaamheden’ (in de te kwalificeren arbeidsrelatie). Verder is in de memorie van toelichting nog te lezen dat van belang is dat het naar buiten toe treden als zelfstandige
ook voor derdenkenbaar is. Als voor derden duidelijk is dat sprake is van een zelfstandige die op afstand staat van de organisatie van de werkgevende waarvoor hij werk verricht, is dit een indicatie dat er geen sprake is van werken in dienst van, aldus de toelichting. De werkende is daarmee – zichtbaar – geen onderdeel van de organisatie van de werkgevende, ook al verricht hij voor de werkgevende werkzaamheden. [120]
binnende arbeidsrelatie, noemt de memorie van toelichting drie argumenten. Ten eerste is de kern van het overeenkomstenrecht dat het
contracthet startpunt vormt bij de kwalificatievraag. Voorts geldt dat kenmerken van ondernemerschap die zich
buitende betreffende arbeidsrelatie voordoen (bijvoorbeeld of de werkende een groot aantal opdrachtgevers heeft en tijd of geld besteedt aan het opbouwen van een reputatie en vinden van klanten), veelal in mindere mate (voorafgaand) kenbaar en inzichtelijk zijn voor zowel werkverschaffers als uitvoeringsorganisaties. Het standaard moeten toetsen van deze indicaties zou dan ook arbeidsintensief zijn. Ten derde vermeldt de toelichting dat ook in de huidige rechtspraak (zowel nationaal als Europees) steeds de betreffende arbeidsrelatie bij de beoordeling centraal staat, en niet de persoon van de werkende. [121]
binnende arbeidsrelatie. Op dit punt sluit het wetsvoorstel m.i. aan bij het
Deliveroo-arrest: de gezichtspunten (i) tot en met (viii) hebben alle betrekking op de voorliggende arbeidsrelatie (zie onder 5.12).
“het ondernemerschap van de persoon van de werkende niet centraal[kan]
staan bij de beoordeling van een concrete arbeidsrelatie”. [123]
in evenwichtzijn met de contra-indicaties van het werken voor eigen rekening en risico (Z), is er bij de beoordeling van de arbeidsrelatie een plaats ingeruimd voor ondernemerschap van
de persoon. Zie de concept-memorie van toelichting (mijn onderstrepingen): [124]
Als de hoofdelementen werkinhoudelijke en organisatorische sturing enerzijds en werken voor eigen rekening en risico anderzijds in evenwicht zijn, wordt de persoon van de werkende betrokken om in dergelijke situaties tot een uitkomst te komen voor de beoordeling van de arbeidsrelatie. Als de werkende voor soortgelijk werk doorgaans als zelfstandige zijn werk verricht dan leidt het betrekken van OP in de betreffende situatie tot een oordeel dat er in deze arbeidsrelatie geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Geldt dat de werkende zich in het economisch verkeer bij het verrichten van vergelijkbare werkzaamheden doorgaans niet als ondernemer gedraagt, dan geldt dat er wel sprake is van een arbeidsovereenkomst in de geschetste situatie.”
“bedrijfsinvesteringen (…) van enige omvang”: [126]
geringe omvang. Dergelijke “investeringen” zijn immers nauwelijks onderscheidend bij de beoordeling of van persoonlijk ondernemerschap. Hierna zal nog nader worden ingegaan op het aspect ‘duurzaamheid van de onderneming’ (zie onder 9.13 en 9.27).
soortgelijke werkzaamhedenals de werkzaamheden die worden verricht in de arbeidsrelatie die ter beoordeling voorligt. [127] Met andere woorden, het als ondernemer voeren van een schoonmaakbedrijf zegt niets over het al dan niet vervuld zijn van het element OP in het verrichten van chauffeurswerkzaamheden.
dusgeen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Per arbeidsrelatie moet worden beoordeeld of sprake is van ‘werkinhoudelijke en organisatorische sturing’, aan de hand van de omstandigheden die hiervoor zijn opgesomd (element W, zie onder 7.11). Daartegenover moeten dan elementen worden geplaatst die mogelijk wijzen op het voor eigen rekening en risico werken (element Z, zie onder 7.12). In het geschetste voorbeeld in de toelichting van een zorgverlener die in meerdere ziekenhuizen werkt, leidt dit tot de uitkomst dat sprake is van (meerdere) arbeidsovereenkomsten. [129] Ook in het voorbeeld van de docent die zich vast laat inhuren om voor zes uur per week Spaanse les te geven is de uitkomst dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. [130] Dat de docent daarnaast vanuit een eigen bij de KvK ingeschreven onderneming bijlessen geeft (element OP), brengt daarin geen verandering.
doorgaansals ondernemer presenteert. [131] Dit begrip duidt erop dat het element OP ook een temporeel aspect kent, nu kennelijk ook moet worden getoetst of men
doorgaansals zelfstandige werkzaam is dan wel zich
doorgaansals ondernemer gedraagt. Op basis van de concept-toelichting is onduidelijk wanneer aan dit criterium is voldaan. Moet daarvoor bijvoorbeeld een oordeel worden geveld over het verleden (en zo ja: hoe ver loopt dit dan terug) [132] , of moet over het geheel van de op het moment van de beoordeling bestaande werkzaamheden worden bezien voor welk aandeel men als zelfstandige werkt c.q. zich als ondernemer gedraagt (en zo ja: welk aandeel is dan voldoende om als
doorgaanste kwalificeren)? [133] De toelichting op het concept-wetsvoorstel biedt hierover geen uitsluitsel.
“Zelfstandigheidstoets”heeft ontwikkeld waarmee op basis van meer dan twintig variabelen die zijn ontleend aan de fiscale jurisprudentie, beoordeeld kan worden of sprake is van ondernemerschap. [134] Het kabinet heeft hier echter niet voor gekozen. Volgens de toelichting gaan voorstellen voor dergelijke alternatieven eraan voorbij dat ook het fiscale begrip ‘ondernemerschap’ een holistisch begrip is, dat eveneens aan de hand van de voorliggende feiten en omstandigheden moet worden beoordeeld. [135] Daarbij wijst ook het kabinet erop dat ook als een werkende doorgaans als ondernemer werkzaam is, hij in een bepaalde arbeidsrelatie toch kan werken op basis van een arbeidsovereenkomst:
“De kern van het overeenkomstenrecht is namelijk dat een specifieke contractsrelatie startpunt is bij de vraag welke contractvorm te gelden heeft en niet de personen die een overeenkomst aangaan.”Daarbij geldt dat weliswaar ook de vrijheid van ondernemerschap en contractsvrijheid van belang zijn, maar die worden begrensd door de dwingendrechtelijke bescherming van werknemers. [136] Ook vanuit dat perspectief ligt het voor de hand om niet het ondernemerschap, maar het werknemerschap voorop te stellen in de toetsing, aldus de concept-memorie van toelichting.
“meer dan logisch”. Het gaat immers om de beoordeling van de betreffende arbeidsrelatie, zo vervolgt de auteur. [137] Ook Hummel reageert instemmend op het feit dat het kabinet met het VBAR-voorstel het contract, en niet de persoon van de werkende als startpunt van de kwalificatievraag neemt. [138]
“in zijn volle breedte”wordt beoordeeld, en werpt vervolgens de vraag op of deze beperktere benadering wel aansluit bij de grondslagen van ons recht. Van Slooten suggereert voorts dat een dergelijke benadering het risico in zich draagt dat (beginnend) ondernemerschap wordt ontmoedigd:
“Dat je al een andere onderneming hebt of plannen in die richting, speelt geen rol en dwingt ondernemers eerder in de rol van werknemer.
” [139]
Artikel 610aa
vermoeden, dat weerlegbaar is. Te benadrukken is verder dat de toelichting op het concept-wetsvoorstel nadrukkelijk vermeldt dat het rechtsvermoeden niet ‘de andere kant op werkt’: een tarief van € 33,- of hoger levert géén rechtsvermoeden van zelfstandigheid op, en fungeert evenmin als minimumtarief voor het werken als zelfstandige. [142]
Uber-zaak, omdat het erop lijkt dat de verdiensten van een Uber-chauffeur doorgaans onder dit bedrag uitkomen. Uit het eerder aangehaalde ROA-rapport van de Universiteit Maastricht volgt dat Uber-chauffeurs in de eerste acht maanden van 2022 gemiddeld € 32,32 bruto per uur verdienden. [143] Hoewel niet zeker is dat dat gemiddelde tarief ook nu nog actueel is, staat wel vast dat dit gemiddelde destijds onder de grens van € 33,- lag, waarvoor thans het voorgestelde rechtsvermoeden zou gaan gelden. [144]
nietrechtstreeks doorwerkt naar de uitvoering van de socialezekerheidswetgeving en fiscaliteit. Uitvoeringsinstanties als UWV, de Belastingdienst en de Arbeidsinspectie, toetsen dus niet zelfstandig aan dit rechtsvermoeden. [145]
“werken in dienst van”. In de concept-memorie van toelichting is hierover het volgende vermeld: [146]
Als de Nederlandse wetgever ervoor kiest om de sociale zekerheid aan het werknemerschap te blijven koppelen, dan zal solidariteit het uitganspunt moeten blijven en dat vereist een enigszins rigide systeem van scheiding van ondernemerschap en werknemerschap.”
“indien sprake is van kwaadwillendheid of als een eerder gegeven aanwijzing niet in voldoende mate is opgevolgd.”In dergelijke gevallen kan er worden gecorrigeerd en nageheven tot het moment waarop sprake was van kwaadwillendheid met een maximum van vijf jaren, dan wel tot het moment dat de Belastingdienst de eerdere aanwijzing heeft gegeven, zo vermeldt de brief. Verder vermeldt de brief dat er vanaf 1 januari 2025 ook niet langer een aanwijzing hoeft te worden gegeven, zodat direct kan worden gehandhaafd, zonder dat eerst een termijn wordt geboden om de werkwijze aan te passen. [149]
“op een hysterische manier”gaat handhaven. Integendeel, vervolgt de Staatssecretaris: [150]
Het gezichtspunt ‘ondernemerschap’ en ‘persoonlijk ondernemerschap’ in de rechtspraak van het HvJ EU
FNV KIEM,waarin het kort gezegd ging om de vraag of de minimumtarieven die waren opgenomen in de cao voor remplaçanten van orkestleden, mededingingsrechtelijk toelaatbaar waren, nu de cao niet alleen betrekking had op werknemers, maar ook op remplaçanten die hun werkzaamheid op basis van een overeenkomst van opdracht uitoefenden. In antwoord op de in dit kader gestelde prejudiciële vragen, antwoordde het HvJEU dat dergelijke cao-afspraken slechts buiten de werkingssfeer van het mededingingsrecht vallen indien het
schijnzelfstandigen betreft die zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van werknemers. [152] Daarbij is aan de hand van eerdere rechtspraak van het HvJEU verduidelijkt dat een dienstverlener zijn hoedanigheid van ondernemer kan verliezen,
“wanneer hij niet zelfstandig zijn marktgedrag bepaalt maar volledig afhankelijk is van zijn opdrachtgever, doordat hij geen van de uit de werkzaamheid van deze laatste voortvloeiende financiële en commerciële risico’s draagt en werkzaam is als in de onderneming van bedoelde opdrachtgever opgenomen medewerker.” [153]
Yodel-arrest ging het om de vraag of de werkende in kwestie kwalificeerde als werknemer in de zin van de Arbeidstijdenrichtlijn. Het HvJEU overwoog dat van werknemerschap binnen de context van het EU-recht
geensprake is wanneer de werknemer vrij is om zich te laten vervangen, opdrachten mag weigeren of in aantal te beperken, vrij is om werkzaam te zijn voor andere (al dan niet concurrerende) partijen, en binnen bepaalde kaders zijn eigen werktijden mag bepalen. [154]
binnende te beoordelen arbeidsrelatie, of dat ook aspecten van ‘persoonlijk ondernemerschap’ (gedragingen in het economisch verkeer) daarbij betrokken worden.
specifieke arbeidsrelatiecentraal. In die rechtspraak zijn geen aanwijzingen te vinden dat ook het gedrag van de werkende in het economisch verkeer een rol spelen, zo signaleert ook Laagland. [155] In de door het HvJEU genoemde ‘vrijheid om voor concurrenten te werken’ is weliswaar het gedrag van de werkende in het economisch verkeer relevant, maar in de formulering van het Hof ligt de focus op de afspraak tussen de werkende en de werkverschaffer, en dus op de desbetreffende arbeidsrelatie.
Deliveroo-arrest over gezichtspunt (ix),
“of degene die de werkzaamheden verricht in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen”, niet aan bij de rechtspraak van het HvJEU, zo schrijft Laagland, Zij voegt daar dan direct aan toe dat de Hoge Raad dat ook niet
hoefdete doen, omdat art. 7:610 BW Pro geen grondslag heeft in het EU-recht. Laagland wijst er echter wel op dat hier verandering in zal komen wanneer de EU-richtlijn inzake platformwerk wordt aangenomen. Daarin is namelijk een rechtsvermoeden voor platformwerkers opgenomen dat wél aan art. 7:610 BW Pro gekoppeld is (zie hoofdstuk 10). Dat betekent dat dan – ook op dit punt – een koppeling ontstaat tussen het nationale en het Europese arbeidsrecht.
buitendie arbeidsrelatie gelegen zijn, en dus uitsluitend gelegen zijn in gedragingen van de persoon van de betrokken werkende buiten die arbeidsrelatie, worden meegewogen. Het ligt niet in de rede om de Nederlandse en de Europese rechtspraak op dit punt (onnodig) uiteen te laten lopen.
9.De invulling van gezichtspunt (ix), ‘persoonlijk ondernemerschap’
Deliveroo-arrest zou kunnen worden ingevuld.
nietziet op feiten en omstandigheden die wijzen op het werken als ondernemer in de specifieke arbeidsrelatie die gekwalificeerd moet worden, maar uitsluitend op
persoonlijkondernemerschap. De reden hiervoor is dat het al dan niet werken als ondernemer in de specifieke arbeidsrelatie aan de orde komt bij een toetsing aan de (niet-limitatief opgesomde) gezichtspunten (i) tot en met (viii) (zie onder 5.10-5.13). Daarmee gaat het bij persoonlijk ondernemerschap nog uitsluitend om feiten en omstandigheden die betrekking hebben op gedragingen van de persoon van de werkende, geabstraheerd van de arbeidsrelatie die gekwalificeerd moet worden.
Deliveroo-arrest noemt in rov. 3.2.5 de volgende voorbeelden van gedragingen in het economisch verkeer van de werkende waaruit ondernemerschap kan blijken:
“vrij kort”en
“een beetje willekeurig”. De auteur wijst er verder op dat enkele andere voor de hand liggende elementen ontbreken, zoals
“het businessmodel, de KvK-inschrijving, de eigen bedrijfsmiddelen en investeringen, de vergunning en de vrijheid om voor concurrenten te werken.” [156] Hierna wordt, met de door de Hoge Raad genoemde voorbeelden als startpunt, verkend op welke wijze verdere invulling aan het negende gezichtspunt zou kunnen worden gegeven.
“commerciële uitingen ten behoeve van de opbouw van een klantenkring”,waarmee de werkende zich naar buiten toe als ondernemer presenteert. Het doel van deze commerciële uitingen is het zelf werven van klanten om zodoende een klantenkring op te bouwen. Dit is bij uitstek kenmerkend voor persoonlijk ondernemerschap.
“de werkende besteedt tijd en/of geld aan het verwerven van een reputatie en het vinden van nieuwe klanten of opdrachtgevers”(zie onder 7.20).
kangedragen. Zo betogen Houweling e.a. dat deze zinsnede volgens hen zo is bedoeld dat de zzp’er zich
gedurende de opdrachtals ondernemer kan blijven gedragen, bijvoorbeeld
“door telefoontjes van potentiële nieuwe opdrachtgevers aan te nemen, netwerkbijeenkomsten op eigen titel bij te wonen enzovoort.” [157]
“economische (on)afhankelijkheid en economisch risico”worden geschaard.
Deliveroo). Als de werkende slechts één opdrachtgever heeft en voor zijn inkomen dus afhankelijk is van deze ene opdrachtgever, duidt dit op een grotere mate van economische afhankelijkheid dan wanneer een werkende meerdere opdrachtgevers heeft. Hoewel economische afhankelijkheid niet hoeft uit te sluiten dat sprake is van (persoonlijk) ondernemerschap, ligt hierin wel een contra-indicatie voor ondernemerschap besloten. Hetzelfde geldt voor de duur waarvoor de werkende zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt (omstandigheid (e)). Hoe langer de duur is waarvoor de werkende zich aan de opdrachtgever verbindt, hoe afhankelijker die relatie (potentieel) wordt.
Uber-zaak zich nagenoeg beperkt tot een bespreking van het
debiteurenrisico. Het economisch risico omvat echter meer dan het debiteurenrisico. [158]
“één van de cruciale aspecten voor ondernemerschap”. [161]
dussprake is van ondernemerschap. Dat is nu in wezen al het geval bij veel schijnzelfstandigen, die vooral risico’s lopen en nauwelijks zekerheden hebben. Het zou vrij wrang zijn daaruit dan af te leiden dat sprake is van persoonlijk ondernemerschap. [162]
binnen de te kwalificeren arbeidsrelatie(zie onder 5.12). Dat is dus een veel beperkter begrip van economisch risico dan bij de toetsing aan gezichtspunt (ix).
bij wie de financiële risico’s en resultaten liggen van de werkzaamheden die de werkende verricht voor de werkverschaffer(vgl. de indicatie voor Z in het concept-wetsvoorstel VBAR, zie onder 7.12). Daarbij kan het gaan om investeringen in fysieke hulpmiddelen, maar het kan bijvoorbeeld ook om software gaan. Wel is in de concept-toelichting benadrukt dat geen betekenis kan toekomen aan bedrijfsmiddelen die in het algemeen als basisvoorziening in de privésfeer kunnen worden gezien, zoals een auto, computer, telefoon of fiets. Ook bedrijfsmiddelen die onder een marktconforme prijs worden aangeboden door een opdrachtgever of tussenpersoon, maken geen onderdeel uit van deze indicatie. Met andere woorden, het moet gaan om daadwerkelijke investeringen die wijzen op het werken voor eigen rekening en risico. Het concept-wetsvoorstel VBAR noemt hier als voorbeeld de aanschaf van een bestelbus. [164]
internis vormgegeven. Het is echter goed voorstelbaar dat dergelijke investeringen in bedrijfsmiddelen juist (ook) arbeidsrelatie-overstijgend zijn. Om bij het voorbeeld van de bestelbus te blijven: een werkende zal vermoedelijk niet voor één opdracht tot de aanschaf van een bus overgaan en zal deze juist voor meerdere klussen (dus: in het economisch verkeer) gebruiken. Daarmee valt niet uit te sluiten dat het aspect ‘persoonlijk ondernemerschap’ enige overlap vertoont met het commercieel risico als gezichtspunt (viii).
Deliveroo-arrest als relevante gedraging in het economisch verkeer waaruit ondernemerschap kan blijken ook (c) de fiscale behandeling.
“die er ook bepaald mag wezen”,aldus Mertens. [168] Het begrip “ondernemer” is in de Wet IB 2001 niet gedefinieerd; de omlijning hiervan is door de wetgever uitdrukkelijk overgelaten aan de rechter. [169] Uit de rechtspraak van de fiscale kamer van de Hoge Raad vallen onder meer de volgende omstandigheden te ontleden: [170]
daadwerkelijkebeoordeling van de arbeidsrelatie heeft plaatsgevonden door de Belastingdienst of de (fiscale) rechter. De fiscale kwalificatie moet ‘wel hout snijden’. [174] Alleen dan ligt het in de rede om dit punt mee te nemen bij de beoordeling van persoonlijk ondernemerschap van de werkende.
Deliveroo-gezichtspunten (i) tot en met (viii) geen uitsluitsel biedt. Pas dan komt gezichtspunt (ix), persoonlijk ondernemerschap, in beeld (zie onder 6.29 e.v.).
10.De EU-Richtlijn Platformwerk
“onafhankelijke contractanten”kwalificeren, en dat er maatregelen moeten worden ingevoerd
“om de correcte bepaling van de arbeidsstatus van personen die platformwerk verrichten in de Unie te vergemakkelijken.” [177] Uit de considerans maak ik verder op dat het risico van een onjuiste kwalificatie van platformwerk mede besloten ligt in de aard van dit type werk (mijn onderstrepingen): [178]
Zo kan het digitale arbeidsplatform niet alleen rechtstreeks zeggenschap en leiding uitoefenen, maar ook door sancties of andere vormen van nadelige behandeling of druk toe te passen.Voor personen die platformwerk verrichten is het vaak moeilijk om passende toegang te krijgen tot de instrumenten en informatie die nodig zijn om bij een bevoegde instantie de werkelijke aard van hun contractuele verhouding en de daaruit voortvloeiende rechten te doen gelden.
Bovendien wordt het beheer van personen die platformwerk verrichten via systemen voor geautomatiseerde monitoring en besluitvorming gekenmerkt door een ondoorzichtige informatiestroom van het digitale arbeidsplatform. Deze kenmerken van platformwerk bestendigen het fenomeen van verkeerde kwalificatie als schijnzelfstandigheid waardoor de correcte bepaling van de arbeidsstatus en de toegang tot fatsoenlijke levens- en arbeidsomstandigheden voor platformwerkers worden belemmerd.”
feitelijke aanwijzingen zijn van zeggenschap en leiding, overeenkomstig het nationale recht, collectieve overeenkomsten of gebruiken in de lidstaten en met in aanmerkingneming van de jurisprudentie van het Hof van Justitie.”
“feitelijke aanwijzingen (…) van zeggenschap en leiding”,mede moet worden beantwoord aan de hand van de jurisprudentie van het HvJ EU. Zoals hiervoor ook is toegelicht, dient het aspect ondernemerschap in de rechtspraak van het HvJ EU als contra-indicatie voor werknemerschap (zie hoofdstuk 8). Dit betekent dat ook bij de beoordeling of sprake is van feitelijke aanwijzingen van zeggenschap en leiding, een rol zal kunnen spelen in hoeverre de werkende kenmerken van ondernemerschap vertoont.
weerlegbaar,wat betekent dat er in kwalificatieprocedures alsnog discussies kunnen (en vermoedelijk: zullen) ontstaan over de mate van zeggenschap en leiding die vanuit het platform wordt uitgeoefend. Daarvoor is nodig dat ook de platformwerker inzicht krijgt in de wijze waarop de geautomatiseerde systemen binnen het platform doorwerken in de arbeidsrelatie.
11.Bespreking van de prejudiciële vragen 1 t/m 3
Deliveroo. Voor het gemak citeer ik de vragen nog een keer:
Deliveroogaat het – als contra-indicatie voor werknemerschap – ook om de vraag of de werkende in de voorliggende arbeidsrelatie kenmerken van een ondernemer heeft. Ondernemerschap van de werkende kan dus onmogelijk “
buiten beschouwing”worden gelaten, nu dit in alle opzichten is verweven met het toetsingskader (zie onder 5.10).
nietop grond van persoonlijk ondernemerschap van de werkende (gezichtspunt (ix)) worden aangenomen dat toch géén sprake is van een arbeidsovereenkomst.
de arbeidsrelatieis die gekwalificeerd moet worden. Daarbij past niet dat bij de kwalificatievraag steeds gewicht toekomt aan gedragingen van de werkende
in het economisch verkeer.Uiteindelijk gaat het bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie om de vraag of is voldaan aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst in art. 7:610 BW Pro: arbeid, loon en gezag. Het al dan niet zijn van ondernemer is geen onderdeel van die wettelijke toets en de toets is daar ook niet op gericht (zie onder 6.15).
, buitende arbeidsrelatie, en voor
soortgelijkewerkzaamheden (zie onder 7.23).
binnende te beoordelen arbeidsrelatie manifesteren (zie onder 8.7).
Deliveroo(zie onder 5.10-5.13). Anders gezegd: bij een toetsing aan de gezichtspunten (i) tot en met (viii) zullen de ‘echte ondernemers’ er normaal gesproken direct uit rollen. [182]
Deliveroogenoemde aspect ‘ondernemerschap’ (“
of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen”), moet worden opgevat als ‘persoonlijk ondernemerschap’ van de werkende. Daarbij gaat het om aspecten van ondernemerschap die buiten de specifieke werkrelatie liggen. Daarbij kan bijvoorbeeld acht worden geslagen op aspecten die betrekking hebben op commerciële uitingen van de werkende ten behoeve van de opbouw van een eigen klantenkring (zie onder 9.5-9.7); economische (on)afhankelijkheid en economisch risico van de werkende bij zijn ondernemerswerkzaamheden (zie onder 9.8-9.18); en de duurzaamheid van het ondernemerschap (zie onder 9.13 en 9.25-9.26). Gelet op het handhavingsmoratorium van de Belastingdienst kan de fiscale behandeling van een werkende hier m.i. geen gewicht in de schaal leggen, tenzij een daadwerkelijke fiscale beoordeling heeft plaatsgevonden (zie onder 9.30). Administratieve handelingen zoals inschrijving bij de KvK kunnen hooguit als ondergrens fungeren (zie onder 9.29).
dezelfde werkzaamhedenals de werkende verricht in de arbeidsrelatie die gekwalificeerd moet worden (zie onder 7.23; vgl. ook onder 6.35).
12.De algemeen verbindend verklaring van cao-bepalingen
Avv heeft in de kern tot doel het uitoefenen van die verantwoordelijkheid van sociale partners (via collectieve afspraken in de vorm van cao’s) te ondersteunen en te beschermen.Het beoogde effect van avv is concurrentie op arbeidsvoorwaarden door onderbieding door niet gebonden werkgevers en werknemers te voorkomen. Door avv kan andere regelgeving door de centrale overheid worden beperkt.”
Deregulering inkomensvorming en arbeidsmarkt(1984), over de mogelijkheden tot vermindering en stroomlijning van regelgeving op het gebied van het functioneren van de arbeidsmarkt en inkomensvorming, zijn de doelstellingen van de avv als volgt samengevat:
“closed shop”-bepalingen, en (iii) de bevordering van de totstandkoming van regelgeving op bedrijfstakniveau, waarmee de rol van de wetgever op centraal niveau beperkt kan blijven. [188]
worden ingeroepen door elk der partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst.” [195] In de memorie van toelichting van de Wet CAO is verduidelijkt dat de hier bedoelde nietigheid
“absoluut”is, en dat
“een iegelijk”(eenieder) die daarbij belang heeft zich op deze nietigheid kan beroepen. Om vast te leggen dat cao-partijen
in elk gevaldit recht hebben,
zonderdat zij daarvoor hun belang hoeven aan te tonen, is het tweede lid van art. 12 Wet Pro CAO geïntroduceerd. [196]
allewerkgevers- en werknemersverenigingen waarvan leden partij zijn bij een arbeidsovereenkomst waarop de avv-cao van toepassing is. Dit artikel bepaalt bovendien dat deze verenigingen de nietigheid
“steeds”kunnen inroepen. Het ligt m.i. voor de hand dat daaruit volgt dat zij – net als in het kader van art. 12 lid 2 Wet Pro CAO – niet hoeven aan te tonen dat zij belang hebben bij het inroepen van de nietigheid. Anders gezegd: een vereniging heeft belang zodra zij leden heeft die partij zijn bij een arbeidsovereenkomst waarop de avv-cao van toepassing is. Mok schrijft in zijn dissertatie uit 1939 dat de strekking van art. 3 lid 2 Wet Pro AVV daarmee duidelijk is:
“ontduiking van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen, door welke rechtshandeling ook, onmogelijk te maken.” [197]
13.De vordering tot nakoming van cao-bepalingen
CNV/Pennwalt-arrest uit 1997, ging het om een vordering van CNV om Pennwalt te veroordelen om, conform de tussen CNV en Pennwalt gesloten cao, het snipperdagentegoed van haar werknemers te vermeerderen. De Hoge Raad overwoog het volgende, in het kader van de Wet CAO (mijn onderstrepingen): [198]
nakoming van een door haar met een werkgever gesloten CAO te vorderen, in het bijzonder indien het, zoals hier, gaat om in die CAO opgenomen verplichtingen van die werkgever jegens zijn werknemers (HR 16 juni 1987, NJ 1988, 70). Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld,
wordt een dergelijke vordering niet ingesteld 'namens iedere werknemer'en is voor de toewijsbaarheid daarvan niet nodig dat wordt onderzocht welke aantallen individuele werknemers tegen de gedragslijn van de werkgever bezwaar hadden. (…).”
FNV/Inretailuit 2018 voegde de Hoge Raad daar, eveneens in het kader van de Wet CAO, het volgende aan toe (mijn onderstrepingen): [199]
zowel tegen een werkgeversorganisatie die partij is bij de cao als, op grond van art. 9 Wet Pro CAO, tegen individuele leden daarvan.
Daarvoor is niet vereist dat er werknemers zijn die zich hebben verzet of die bezwaar hebben gemaakt tegen de handelwijze van hun werkgever.(…).”
partijzijn bij de cao, jegens partijen die als contractpartij dan wel via de Wet CAO aan de cao in kwestie gebonden waren.
Nepluvi-arrest. In dit arrest ging het om een cao die algemeen verbindend was verklaard (hierna: een avv-cao). De vordering tot nakoming was ingesteld door een werknemersorganisatie die partij was bij de cao. De vordering was echter gericht tegen een werkgever die
geenpartij was bij de cao. Uit het arrest werd duidelijk dat dit niet in de weg staat aan de nakomingsvordering van de werknemersorganisatie (mijn onderstrepingen): [200]
Bij de beoordeling van de hiervoor in 3.3.1 weergegeven klacht, geldt als uitgangspunt dat een werknemersorganisatie die partij is bij een cao, als contractspartij uit eigen hoofde nakoming kan vorderen van in die cao opgenomen verplichtingen van een werkgever. Voor zover een cao algemeen verbindend is verklaard, geldt dit ook jegens een werkgever die geen partij is bij de cao.Voor het kunnen instellen van zo’n vordering door een werknemersorganisatie is niet vereist dat er werknemers zijn die zich hebben verzet of die bezwaar hebben gemaakt tegen de handelwijze van hun werkgever.
Als contractspartij heeft de werknemersorganisatie immers een eigen belang bij en recht op nakoming.”
Nepluvi.
geencao-partij zijn kunnen op basis van deze bepaling de nietigheid van met de avv-cao strijdige bepalingen inroepen mits zij leden hebben die partij zijn bij een arbeidsovereenkomst die onder de avv-cao valt (zie onder 12.10).
nakomingvan de cao door een werkgever te vorderen. [201] Zo wijst Mok erop dat bij een algemeen verbindend verklaring een verbintenis
uit de wetontstaat, waarvan nakoming kan worden gevorderd. [202] Koot-van der Putte schrijft dat de avv-cao de individuele arbeidsovereenkomst normeert, en dat dus in wezen naleving wordt gevorderd van de individuele arbeidsovereenkomst, die genormeerd is naar het voorbeeld van de avv-cao. [203] Deze benadering sluit ook aan bij de eerder genoemde
normatievewerking van art. 3 lid 1 Wet Pro AVV (zie onder 12.9), waarmee alle bedingen in arbeidsovereenkomsten die in strijd zijn met de avv-cao, van rechtswege worden geconverteerd in de daarmee corresponderende bepalingen in de avv-cao. [204] Met het inroepen van de
absolutenietigheid op grond van art. 3 lid 1 en Pro lid 2 Wet AVV, wordt dan ook in feite nakoming van de bepalingen uit de avv-cao gevorderd, die van rechtswege in de plaats zijn gekomen van de nietige bepalingen in de arbeidsovereenkomst.
inroepen van nietigheidmet de vordering tot
nakoming,moet er dus vanuit worden gegaan dat ook verenigingen die geen partij zijn bij de cao in het kader van de Wet AVV nakoming kunnen vorderen, mits zij voldoen aan in de in art. 3 lid 2 Wet Pro AVV genoemde voorwaarde dat er leden zijn die partij zijn bij een arbeidsovereenkomst waarop de avv-cao van toepassing is. [205] In dezelfde lijn merkte ook A-G Hartlief op in zijn conclusie voor het
Nepluvi-arrest (voetnoten weggelaten): [206]
Nepluvi-arrest. Zoals hiervoor is besproken, oordeelde de Hoge Raad daar dat contractspartijen bij een cao een eigen belang hebben bij nakoming van een avv-cao door een werkgever die geen partij is bij de cao. In de zaak die voorlag in het
Nepluvi-arrest was FNV daadwerkelijk contractspartij en de Hoge Raad hoefde dus niet te oordelen over de vraag of een werknemersvereniging die geen partij is bij de cao (ook) nakoming kan vorderen.
CNV/Pennwaltkwam ook aan de orde dat toewijzing van een nakomingsvordering van de vakbond waarbij een werkgever wordt veroordeeld tot het verrichten van een prestatie jegens zijn werknemers, alleen betrekking kan hebben op de nakoming van een verplichting van een werkgever jegens werknemers die daarop aanspraak
kunnenen
willenmaken. [208] Dit moet volgens de Hoge Raad tot uitdrukking worden gebracht in het dictum. [209]
“kunnen en willen”-clausule in het
Nepluvi-arrest nader verduidelijkt, met name ten aanzien van het aspect
“willen”. [210] Overwogen werd het volgende (mijn onderstreping):
CNV/Pennwaltvorderde de werknemersorganisatie dat de werkgever het tegoed aan vrije snipperdagen van elk van de werknemers zou vermeerderen met de in strijd met de cao door de werkgever in de periode tussen Kerst en Oud en Nieuw eenzijdig vastgestelde vaste snipperdagen. De overweging van de Hoge Raad dat toewijzing van deze vordering alleen betrekking kan hebben op een vermeerdering van het tegoed aan vrije snipperdagen voor zover de werknemers op die vermeerdering aanspraak wensen te maken, moet worden bezien in het licht van de in die zaak bestaande, uit de desbetreffende cao voortvloeiende mogelijkheid voor de werknemers om ervoor te kiezen om in de periode tussen Kerst en Oud en Nieuw vrije snipperdagen op te nemen en de in deze periode afgeschreven snipperdagen in zoverre dus niet aan te merken als door de werkgever ten onrechte vastgestelde vaste snipperdagen.
Het betrof dus een vordering die betrekking heeft op een recht ten aanzien waarvan de cao de werknemer een individuele keuzemogelijkheid laat. In zo’n geval kan niet door de toewijzing van de vordering van de werknemersorganisatie een prestatie aan de werknemer worden opgedrongen.
CNV/Pennwalthoudt – anders dan de hiervoor in 3.3.1. weergegeven klacht tot uitgangspunt neemt – niet in dat iedere toewijzing van een vordering van een werknemersorganisatie tot nakoming van cao-verplichtingen van een werkgever jegens werknemers, afhankelijk dient te worden gesteld van de wens van de werknemers tot nakoming van de gevorderde prestatie. Dat zou zich niet verdragen met het hiervoor in 3.3.2 genoemde uitgangspunt en het daaraan ten grondslag liggende eigen belang van de werknemersorganisatie bij naleving van de cao door de werkgever.”
“willen”uit de
“kunnen en willen”-clausule moet dus worden begrepen in het licht van de omstandigheid dat de cao in de
CNV/Pennwalt-zaak voor alle werknemers een
keuzemogelijkheidbevatte om al dan niet snipperdagen op te nemen. Als een cao een dergelijke keuzemogelijkheid bevat, dan kan de keuze voor een bepaalde optie niet worden opgedrongen door toewijzing van een vakbondsvordering. Indien géén sprake is van een keuzemogelijkheid, kan toewijzing van een vakbondsvordering niet afhankelijk worden gesteld van de wens van een werknemer tot nakoming van de gevorderde prestatie. Daarmee zou het vorderingsrecht van de vakbonden worden uitgehold. Voorts overwoog de Hoge Raad in
Nepluvidat het
“kunnen en willen”-aspect in die zaak niet in het dictum tot uitdrukking behoefde te worden gebracht, nu een en ander reeds in het oordeel van het hof besloten lag (rov. 3.3.9). [211] Het oordeel van het hof getuigde daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting.
CNV/Pennwalten
Nepluviheeft de rechtbank Amsterdam in het voorliggende vonnis in de Uber-procedure het volgende overwogen:
CNV/[partij]en ECLI:NL:HR:2021:413
[partij]), waarbij verjaring een rol kan spelen. De vordering onder II is derhalve eveneens toewijsbaar, in aanmerking genomen het hierna volgende.
willen. Een ‘louter van de wil’ van de werknemer afhankelijke veroordeling zou kunnen neerkomen op een ‘uitweg’ die de effectiviteit van het systeem van algemeenverbindendverklaring van cao’s onder druk zet (vgl. AG Hartlief, ECLI:NL:PHR:2020:958). Voor zover de vordering ertoe strekt dat naleving van de cao alleen geldt voor de chauffeurs die Uber daarom verzoeken, wordt dit gedeelte van het petitum in het dictum niet overgenomen. Daarbij wordt overwogen dat de zinsnede “die haar daarom verzoeken” in de vordering van FNV wordt begrepen als een juridische uitleg die – zoals hiervoor is overwogen – geen steun vindt in het recht en derhalve onnodig is opgenomen. Door het weglaten van deze zinsnede in het dictum is tegen die achtergrond geen sprake dat meer wordt toegewezen dan door FNV is gevorderd.
kunnenmaken op een nabetaling uit hoofde van de CAO Taxivervoer geldt dat uit de door Uber te maken loonberekeningen en de daarop gebaseerde specificaties zal moeten blijken in hoeverre individuele chauffeurs recht hebben op nabetaling van loon.
nietwordt opgenomen dat de vorderingen toewijsbaar zijn voor zover de chauffeurs daarom
verzoeken.Een dergelijke toevoeging aan het dictum zou er immers op duiden dat de toewijzing van de nakomingsvordering (alsnog) afhankelijk wordt gesteld van de wil van de werknemer, hetgeen in feite een ‘uitweg’ zou opleveren die de effectiviteit van de algemeen verbindendverklaring van cao’s onder druk zou zetten. [212]
Nepluvi-arrest (zie ook onder 13.5). FNV vorderde in die zaak nakoming van de ABU-cao door een onderneming die actief is in het aannemen van arbeidsintensief productiewerk, waaronder in de pluimvee verwerkende industrie (hierna: onderneming 1). Onderneming 1 had verschillende overeenkomsten gesloten met een onderneming die zich bezig houdt met het uitsnijden van kipproducten (hierna: onderneming 2). In het kader van die overeenkomsten hebben werknemers van onderneming 1 werkzaamheden verricht bij onderneming 2. Onderneming 1 stelde zich op het standpunt dat sprake was aanneming van werk, waarbij onderneming 2 gebruik maakte van arbeidskrachten die onder haar (eigen) leiding en toezicht aldaar werkzaam waren. Bepleit werd dus dat sprake was van
contracting. [213]
geenlid van Nepluvi en was ook niet op andere wijze partij bij de Cao Pluimvee. De vordering van FNV was gericht tegen onderneming 1, en zag (dus) uitsluitend op de periodes waarin de ABU-cao algemeen verbindend was verklaard. Het betrof hier dus een vordering in het kader van art. 3 lid 2 Wet Pro AVV.
ondernemingen(en dus niet op die van een groep werkenden), moest het hof óók een oordeel vellen over de wijze waarop de verhouding met de werknemers in kwestie moest worden geduid. In het kader van de vraag of sprake was van een uitzendrelatie, moest het hof immers beoordelen of de werknemers van onderneming 1 arbeid verrichtten onder toezicht en leiding van onderneming 2, in de zin van art. 7:690 BW Pro. [214]
Nepluviis daarmee af te leiden dat er in zijn algemeenheid geen beletsel bestaat om in het kader van een nakomingsvordering op grond van art. 3 lid 2 Wet Pro AVV een kwalificatievraag aan de rechter voor te leggen. Indien ter beoordeling van de nakomingsvordering eerst een kwalificatievraag moet worden beantwoord, zal de rechter dat gewoon doen.
althans biedt dit wetsartikel geen procedurele waarborgen om dat te bereiken.” Art. 3:305a BW e.v. en art. 1018b e.v. Rv kennen die waarborgen wel, zo overweegt het hof. Hiermee doelt het hof kennelijk op de ontvankelijkheidsvereisten die in art. 3:305a lid 2 en lid 3 BW zijn opgenomen en op de ‘opt-out’ mogelijkheid van art. 1018f Rv.
“gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt en deze belangen voldoende zijn gewaarborgd.”In art. 3:305a lid 2 BW is uitgewerkt wanneer de in lid 1 bedoelde belangen voldoende gewaarborgd zijn. Daartoe is volgens deze bepaling vereist dat de belangenorganisatie voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen. Tevens moet de belangenorganisatie (a) in beginsel beschikken over een toezichthoudend orgaan; (b) moeten er passende en doeltreffende mechanismen zijn voor deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming; (c) moeten er voldoende middelen zijn om de kosten voor het instellen van een vordering te kunnen dragen; (d) moet er een algemeen toegankelijke internetpagina zijn met nadere (in sub d gespecificeerde) informatie); en moet de belangenorganisatie (e) voldoende ervaring en deskundigheid hebben ten aanzien van het instellen en voeren van de rechtsvordering. Ten slotte stelt de wet (f) eisen aan procesfinanciering door derden, ter voorkoming van belangenconflicten. Voorts bepaalt lid 3 van art. 3:305a BW dat de bestuurders betrokken bij de oprichting van de rechtspersoon geen winstoogmerk mogen hebben, dat de rechtsvordering een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer moet hebben, en dat de belangenorganisatie in de gegeven omstandigheden voldoende moet hebben geprobeerd om het gevorderde door middel van overleg te bereiken. [216]
“procedurele waarborgen”te doelen op de ‘opt out’ mogelijkheden van art. 1018f Rv. Op grond van deze bepaling kunnen personen laten weten zich
“van de behartiging van hun belangen in deze collectieve vordering te willen bevrijden.”Deze opt out-mogelijkheid bestaat op twee momenten. Namelijk als eerste na aanwijzing van de belangenorganisatie die als exclusieve belangenbehartiger zal optreden (1018f lid 3 Rv). In de parlementaire geschiedenis is te lezen dat de aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger het moment vormt voor individuele personen om de afweging te maken
“of zij meegaan in de collectieve procedure of dat zij verwachten individueel een beter resultaat te kunnen halen.” [217] Voorts is een opt out mogelijk na de goedkeuring van een schikking (art. 1018h lid 5 Rv).
eigenrecht tot het vorderen van nakoming dat een vakbond kan ontlenen aan art. 3 Wet Pro AVV. Zoals gezegd biedt art. 3 lid 2 Wet Pro AVV grondslag voor een zelfstandig recht aan werknemersorganisaties (en werkgeversorganisaties) om nakoming door een (avv-)cao door een werkgever te vorderen. Dat het hier om een zelfstandig recht gaat van een werknemersorganisatie is door de Hoge Raad bevestigd in de arresten
CNV/Pennwalt,
FNV/Inretailen
Nepluvi.Dergelijke vorderingen worden niet ingesteld
namenswerknemers. Het is dus ook géén vereiste dat werknemers het eens zijn met de vorderingen; de vakbond heeft een eigen belang bij het instellen daarvan zodra zij leden heeft die partij zijn bij een arbeidsovereenkomst waarop de avv-cao van toepassing is.
Nepluvi-arrest (voetnoten weggelaten):
14.Bespreking van prejudiciële vraag 4
in zijn algemeenheidals grondslag kan dienen voor een kwalificatieoordeel. Dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord, volgt al uit de rechtspraak (zie onder 13.16 e.v.).
homogenegroep werkenden. Daardoor is niet uit te sluiten dat de kwalificatievraag niet voor alle werkenden in gelijke zin kan worden beantwoord. Ik begrijp de prejudiciële vraag dan ook zo, dat gevraagd wordt of in het kader van een nakomingsvordering op grond van de Wet AVV, een
algemeenkwalificatieoordeel kan worden gegeven ten aanzien van een (mogelijk)
heterogenegroep werkenden. Deze uitleg sluit aan bij rov. 5.8.5 van het tussenarrest van 3 oktober 2023, waarin het hof het volgende overweegt:
tocheen vordering op grond van art. 3 lid 2 Wet Pro AVV kan worden toegewezen.
algemeenoordeel over de kwalificatie van de arbeidsrelatie van een groep werkenden, allen werkzaam bij dezelfde werkverschaffer, plaatsvinden in het kader van een vordering als bedoeld in artikel 3 lid 2 Wet Pro AVV, als niet kan worden uitgesloten dat de arbeidsrelatie niet voor alle werkenden op dezelfde wijze moet worden gekwalificeerd?”
“kunnen”-aspect uit
CNV/Pennwalt(zie onder 13.11 e.v.), in het dictum tot uitdrukking brengen dat het gebod tot nakoming van de avv-cao beperkt is tot een
specifieke groepwerkenden. Zo zou het hof in het dictum kunnen opnemen dat de vordering van FNV toewijsbaar is
voor zover sprake is van werknemers. Hoe dan ook is er geen aanleiding om FNV in haar vordering tot naleving van de avv-cao
niet-ontvankelijkte verklaren, zoals Uber en de Chauffeurs bepleiten. [220]
JAR1998/40;
JAR2021/101). Dat Uber een taxionderneming is, leidt in deze zaak dus tot de veroordeling van Uber tot nakoming van de taxi-cao gedurende de avv-perioden, voor zover chauffeurs daarop aanspraak kunnen maken.”
“weinig bevredigend”bestempeld. [222] Ook Bij de Vaate en Özkul menen dat de collectieve vordering op grond van art. 3 Wet Pro AVV
“weinig tot geen toegevoegde waarde”heeft, indien de rechter niet verder komt dan toewijzing van de nakomingsvordering voor zover dit mogelijk is (namelijk voor zover sprake is van werknemers). Dan zal immers alsnog voor elke chauffeur afzonderlijk moeten worden beoordeeld of deze al dan niet als werknemer kwalificeert, waarmee de handhaving van de avv-cao weer in handen van de individuele werkenden komt. [223]
tenzijUber aannemelijk maakt dat (individuele) chauffeurs zelfstandig ondernemer zijn. Deze benadering zou ook aansluiten bij de Richtlijn Platformwerk, waarin een meer een wettelijk rechtsvermoeden is opgenomen op basis waarvan wordt uitgegaan van een arbeidsverhouding tussen het platform en de werkende, wanneer er
“feitelijke aanwijzingen zijn van zeggenschap en leiding, overeenkomstig het nationale recht, collectieve overeenkomsten of gebruiken in de lidstaten en met in aanmerkingneming van de jurisprudentie van het Hof van Justitie.” [226] Voor de weerlegging van dit rechtsvermoeden zal het platform moeten bewijzen dat
geensprake is van een arbeidsverhouding naar nationaal recht (zie onder 10.5).
FNV/Inretail: [227]
algemeenoordeel over de kwalificatie van de arbeidsrelatie van een groep werkenden, allen werkzaam bij dezelfde werkverschaffer, plaatsvinden in het kader van een vordering als bedoeld in artikel 3 lid 2 Wet Pro AVV, als niet kan worden uitgesloten dat de arbeidsrelatie niet voor alle werkenden op dezelfde wijze moet worden gekwalificeerd?”