ECLI:NL:RBDHA:2022:7173
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening toegewezen bij uitleg begrip bijzonder ernstig misdrijf in asielprocedure
Verzoeker, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 26 juni 2019 een asielaanvraag in Nederland in. Zijn aanvraag werd afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij in het buitenland was veroordeeld voor medeplegen van drugshandel, een bijzonder ernstig misdrijf. Verzoeker werd daarnaast geconfronteerd met een inreisverbod van tien jaar en de plicht Nederland te verlaten, hoewel uitzetting naar Syrië werd uitgesloten vanwege een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro.
Verzoeker stelde beroep in tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening om de behandeling van het beroep in Nederland af te wachten. De voorzieningenrechter achtte de prejudiciële vragen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aan het Hof van Justitie van de Europese Unie had gesteld over de uitleg van het begrip 'bijzonder ernstig misdrijf' relevant voor de beoordeling van het beroep.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, het bestreden besluit geschorst en werd bepaald dat verzoeker in Nederland mocht blijven totdat de prejudiciële vragen zijn beantwoord. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van €1.518,00. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestreden besluit geschorst zodat verzoeker de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten.