ECLI:NL:RVS:2022:1703
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over invulling begrip bijzonder ernstig misdrijf in vreemdelingenrecht
In juni 2020 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van een Libische vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel af vanwege een onherroepelijke veroordeling voor een bijzonder ernstig misdrijf. De vreemdeling, die biseksueel is en gegronde vrees heeft voor vervolging in Libië, werd veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf voor meerdere aanrandingen en diefstal.
De rechtbank vernietigde het besluit van de staatssecretaris wegens ondeugdelijke motivering omtrent de zwaarte van het misdrijf en het gevaar voor de samenleving. De staatssecretaris ging in hoger beroep en betoogde dat het misdrijf als één feit moet worden gezien en dat de strafmaat voldoet aan de beleidsnorm van tien maanden gevangenisstraf.
De Afdeling bestuursrechtspraak onderzoekt de uitleg van artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn, met name het begrip 'bijzonder ernstig misdrijf' en de invulling van het begrip 'gevaar voor de samenleving'. Gezien het ontbreken van eenduidige rechtspraak verzoekt de Afdeling het Hof van Justitie om prejudiciële beantwoording van vier vragen over deze begrippen en de toepassingsvoorwaarden.
De behandeling van het hoger beroep is geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak doet. De Afdeling benadrukt het belang van een uniforme uitleg binnen de Europese Unie en sluit aan bij soortgelijke prejudiciële vragen van de Belgische Raad van State.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst en prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie.