ECLI:NL:RBDHA:2022:7227
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot schorsing uitvoerbaarverklaring en medewerking verkoop woning na echtscheiding
Partijen waren van 1999 tot 2013 gehuwd in gemeenschap van goederen, met als gezamenlijke eigendom een woning en een garage. Na ontbinding van de huwelijksgemeenschap bepaalde de rechtbank in juni 2021 dat eiser twee maanden de tijd kreeg om aan te tonen dat hij de woning en garage kon overnemen en gedaagde te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Bij vonnis van januari 2022 werd eiser veroordeeld tot medewerking aan verkoop indien hij hier niet in slaagde.
Eiser slaagde er niet in voor de gestelde termijn aan te tonen dat hij de woning en garage kon overnemen en startte hoger beroep met het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring. In deze procedure vordert eiser onder meer schorsing van de uitvoerbaarverklaring en verlenging van de termijn om gedaagde te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het kort geding vonnis een belangenafweging bevat die in het voordeel van gedaagde uitvalt en dat eiser gehouden is mee te werken aan de verkoop. Het verzoek tot schorsing en de overige vorderingen worden afgewezen. Omdat eiser geen medewerking verleent aan de verkoop, wordt een dwangsom van €250 per dag opgelegd, gemaximeerd op €15.000. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het geding in conventie, terwijl de proceskosten in reconventie nihil worden begroot.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring wordt afgewezen en aan eiser wordt een dwangsom opgelegd wegens het niet verlenen van medewerking aan de verkoop.