Verzoeker, een Turkse staatsburger met een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, kreeg deze vergunning ingetrokken en een inreisverbod van tien jaar opgelegd vanwege meerdere veroordelingen, waaronder drugshandel en geweldsdelicten. Verzoeker stelde beroep in tegen deze besluiten en verzocht om een voorlopige voorziening om zijn uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter overwoog dat het niet wenselijk en mogelijk was om in deze spoedprocedure een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit te geven vanwege de complexiteit en lopende prejudiciële vragen bij het Hof van Justitie. De rechter stelde dat het belang van verzoeker om zijn beroepsprocedure in Nederland af te wachten zwaarder woog dan het belang van verweerder bij uitzetting.
Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening toegewezen, waardoor verweerder werd verboden verzoeker uit te zetten totdat op het beroep is beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker.