ECLI:NL:RBDHA:2022:7454
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig besluit asielaanvraag, termijn van zes weken opgelegd
Eiser, met de Turkse nationaliteit, diende op 24 augustus 2021 een asielaanvraag in. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, overschreed de beslistermijn zoals bedoeld in artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet, waarop eiser op 25 februari 2022 verweerder in gebreke stelde. De rechtbank stelde vast dat het beroep terecht is ingediend en gegrond is.
De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 8:55d Awb de bestuursrechter een nadere beslistermijn kan opleggen en een dwangsom kan verbinden aan het niet naleven daarvan. Echter, sinds 11 juli 2021 is via de Tijdelijke wet de toepassing van deze dwangsomregeling op asielaanvragen uitgesloten. Eiser betoogde dat deze wet in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en artikel 47 van Pro het Handvest, maar de rechtbank verwierp deze stellingen.
De rechtbank oordeelde dat de asielprocedure geen vergelijkbare nationale procedure kent en dat de Tijdelijke wet niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Ook is er volgens de rechtbank een doeltreffende voorziening in rechte aanwezig via het beroep tegen het niet tijdig beslissen, ondanks het ontbreken van een dwangsom. De rechtbank legde een termijn van zes weken op waarbinnen verweerder alsnog een besluit moet nemen en veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen zes weken een besluit te nemen zonder oplegging van een dwangsom.