ECLI:NL:RVS:2024:1796
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- B. Meijer
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen proceskostenveroordeling in asielprocedure wegens niet tijdig besluit
De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van proceskosten van € 379,50, met toepassing van een wegingsfactor 0,5 wegens de lichte aard van de zaak.
De vreemdeling ging in hoger beroep tegen de hoogte van deze proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de wegingsfactor 0,5 toepaste, omdat de zaak ook een complexe rechtsvraag bevatte over de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND en het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel.
De Raad van State vernietigde het vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling betrof en stelde dat een wegingsfactor 1 (gemiddeld) passend is. Tevens paste de Afdeling de nieuwe puntwaarde toe, waardoor de proceskostenvergoeding werd verhoogd tot € 1.312,50, bestaande uit € 875,00 voor het beroep en € 437,50 voor het hoger beroep.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. De Afdeling hanteerde voor het hoger beroep zelf de wegingsfactor 0,5 vanwege de lichte aard van het hoger beroep dat uitsluitend tegen de hoogte van de kosten was gericht.
Uitkomst: De Raad van State verhoogt de proceskostenvergoeding en veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.312,50 aan proceskosten.