ECLI:NL:RBDHA:2022:7514
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag, intrekking besluit en proceskostenveroordeling
Eiser diende op 30 juli 2020 een asielaanvraag in. Na het niet tijdig beslissen op deze aanvraag stelde eiser op 1 augustus 2021 beroep in, dat gegrond werd verklaard. Verweerder nam vervolgens op 6 december 2021 een besluit dat de aanvraag kennelijk ongegrond verklaarde. Eiser stelde hiertegen beroep in op 10 december 2021. Verweerder trok dit besluit op 17 mei 2022 in en gaf aan opnieuw te zullen beslissen, maar nam geen nieuw besluit binnen de gestelde termijnen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 6 december 2021 niet-ontvankelijk vanwege de intrekking, maar oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond was. Verweerder werd opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €379,50.
De rechtbank wees het verzoek tot aanhouding af en verwierp de stellingen dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen in strijd zou zijn met het Unierecht. De rechtbank volgde eerdere uitspraken dat de Tijdelijke wet niet onverbindend is en dat dwangsommen niet kunnen worden opgelegd in deze procedure.
De uitspraak werd gedaan door rechter B.F.Th. de Roos en griffier N.H. de Zeeuw, en is gepubliceerd op rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit binnen acht weken en tot betaling van proceskosten van €379,50.