Eiser, een Poolse nationaliteit dragende persoon geboren in 1998, betwist de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Hij stelt dat er een gebrek in het voortraject is opgetreden, met name dat het besluit dat aan hem is uitgereikt niet overeenkomt met het ondertekende besluit in het dossier, en betwist de aanwezigheid van zware grond 3c.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit voldoet aan artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, inclusief een gemotiveerde en ondertekende maatregel met een rechtsmiddelenclausule. De aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak is niet vergelijkbaar omdat hier geen sprake is van een elektronische ondertekening na uitreiking.
Verweerder heeft een drangbeschikking toegevoegd waaruit blijkt dat eiser deze beschikking heeft ontvangen, met uitleg via tolk, en getekend heeft voor ontvangst. Daarmee is de zware grond 3c feitelijk juist. De lichte gronden 4a, 4c en 4e zijn niet betwist en samen met zware grond 3c voldoende om de maatregel te dragen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter B.F.Th. de Roos en griffier N.M.L. van der Kammen en is openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.