ECLI:NL:RVS:2021:543
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatigheid vreemdelingenbewaring wegens gebrekkige ondertekening en uitreiking
De vreemdeling werd op 6 oktober 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat de maatregel onrechtmatig was vanwege een gebrek in de ophouding en onduidelijkheid over de rechtsgeldige ondertekening en uitreiking van de maatregel. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State oordeelde dat het gebrek in de ophouding, waarbij een verkeerd wetsartikel was aangekruist, niet leidde tot onrechtmatigheid omdat de ernst van dit gebrek gering was en de belangen van de bewaring zwaarwegend. Wel werd bevestigd dat de maatregel onrechtmatig was omdat de ondertekening digitaal pas na uitreiking plaatsvond, waardoor niet vaststond dat de vreemdeling een rechtsgeldige, ondertekende maatregel had ontvangen.
De Raad van State bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank, oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was en dat de staatssecretaris schadevergoeding moest betalen. De proceskosten van het hoger beroep werden eveneens aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de onrechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring en veroordeelt de staatssecretaris tot proceskostenvergoeding.