ECLI:NL:RBDHA:2022:7842
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen beëindiging Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing urenbeperking
Eiseres, laatstelijk werkzaam als schoonmaakmedewerkster, ontving sinds 2017 een Ziektewet-uitkering. Na een eerstejaarsbeoordeling in 2018 werd haar uitkering beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen. Na hernieuwde ziekmelding en diverse uitkeringsbesluiten, werd in februari 2021 een nieuwe beoordeling uitgevoerd waarbij beperkingen werden vastgesteld, maar de functie van boekhouder als passend werd aangemerkt.
Eiseres voerde aan dat zij vanwege ernstige bekkeninstabiliteit niet lang kan zitten zonder pijn en dat zij een urenbeperking en de mogelijkheid tot liggend pauzeren nodig heeft. Zij ondersteunde dit met medische brieven van een ergotherapeut, reumatoloog en bekkenfysiotherapeut. Verweerder handhaafde het besluit en verwees naar een rapport van de verzekeringsarts in beroep.
De rechtbank oordeelt dat de aard van de beperkingen niet in geschil is, maar de mate ervan wel. De stelling van eiseres dat een urenbeperking nodig is, is onvoldoende onderbouwd. De medische stukken adviseren juist beweging en afwisseling van houding. Ook de noodzaak van liggend pauzeren tijdens werk is niet aannemelijk, mede omdat de ergotherapeut uitgaat van aaneengesloten werkblokken van 90 minuten, terwijl in de geduide functie na 30 minuten houding kan worden veranderd.
De rechtbank volgt verweerder en handhaaft het bestreden besluit. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt ongegrond verklaard.