7.9.Bij eenmalig georganiseerde evenementen ontbreekt in elk geval de regelmaat en is aldus geen sprake van een inrichting in de zin van de Wm. Bij evenementen die regelmatig terugkeren, bijvoorbeeld maandelijks of jaarlijks, is volgens de jurisprudentie van de Afdeling van belang dat die op dezelfde locatie worden gehouden, op dezelfde data, in dezelfde omvang en een lange periode continu plaatsvinden om te kunnen worden aangemerkt als een inrichting in de zin van de Wm. Een evenement dat -inclusief op- en afbouw- 21 dagen duurt, is daarbij door de Afdeling benoemd als korte periode en niet aangemerkt als bedrijvigheid die "pleegt te worden verricht" als bedoeld in artikel 1.1 van de Wm.Hoewel vanwege Corona aan het evenementenprogramma op het Goudasfalt terrein niet zoals gepland uitvoering is gegeven, blijkt uit de gedingstukken dat de tot op heden op het middenterrein toegestane evenementen met een regelmatig terugkerend karakter elk op zichzelf te kortdurend zijn om aangemerkt te kunnen worden als een bedrijvigheid “die pleegt te worden verricht”. Er is namelijk geen evenement toegestaan dat langer duurt dan 10 dagen, inclusief op- en afbouw, zodat naar het oordeel van de rechtbank op het terrein geen sprake is van een activiteit die een lange periode continu plaatsvindt en aldus evenmin van een inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wm.
8. Eisers voeren voorts nog aan dat vergunninghoudster als centrale entiteit met zeggenschap heeft te gelden als drijver van de inrichting. De vraag omtrent de zeggenschap van vergunninghoudster als drijver van de inrichting kan echter pas aan de orde komen, wanneer vast staat dat sprake is van een inrichting. Nu de rechtbank van oordeel is dat ter zake van het terrein geen sprake is van een inrichting, heeft de discussie over zeggenschap haar betekenis verloren en ligt dan ook niet meer ter beoordeling voor; immers zonder inrichting ook geen drijver.
9. Door eisers is verder naar voren gebracht dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir, omdat de redenering van verweerder tot doel heeft aan de handhaving van milieuregels te ontkomen. Voor dit betoog ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Bij de weigering om handhavend op te treden, is door verweerder gemotiveerd aangevoerd dat geen overtreding op grond van de Wm is vastgesteld, nu niet aan de criteria voor toepassing is voldaan. Het enkele feit dat verweerder een ander standpunt heeft ingenomen dan eisers voorstaan, maakt niet dat het bestreden besluit is genomen met een ander doel, dan waarvoor de bevoegdheid is gegeven.
10. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de gemachtigde van eisers ter zitting het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft ingetrokken. Deze grond behoeft dan ook geen bespreking meer.
11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.