ECLI:NL:RVS:2004:AR6303
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- M. Oosting
- Rechtspraak.nl
Afwijzing handhavingsverzoek wegens ontbreken bedrijfsmatige inrichting volgens Wet milieubeheer
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Ede om handhavend op te treden tegen activiteiten op een perceel te Ede, stellende dat deze activiteiten een bedrijfsmatig karakter hebben en daarom een inrichting vormen waarvoor een vergunning vereist is volgens de Wet milieubeheer.
Verweerder wees het verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking had op de vraag of een vergunning vereist was, waarna de zaak aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd voorgelegd.
De Afdeling oordeelde dat de feitelijke situatie ter plaatse geen sprake was van bedrijfsmatige bedrijvigheid of een omvang alsof die bedrijfsmatig was. De activiteiten vonden plaats in een schuur en tuin met beperkte omvang, met geringe productie en opbrengst, en niet-professionele productiewijze. Ook de privéactiviteiten met gasflessen en beton waren kleinschalig.
Daarom was geen sprake van een inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, en was het handhavingsverzoek terecht afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard.