ECLI:NL:RBDHA:2022:7972
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens vrijwillig vertrek en beëindiging verblijfsprocedures
Eiser, van Armeense nationaliteit, had een asielaanvraag ingediend die door verweerder op 3 september 2021 als kennelijk ongegrond werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 23 november 2021 ongegrond. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van 23 november 2021 en verwees de zaak terug naar de rechtbank.
Na terugverwijzing informeerde verweerder de rechtbank dat eiser op 14 januari 2022 via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) vrijwillig naar Armenië was vertrokken. Eiser had een vertrekverklaring ondertekend waarin hij instemde met beëindiging van de lopende verblijfsprocedures. Eiser stelde dat hij de verklaring niet begreep omdat deze niet in een voor hem begrijpelijke taal was toegelicht.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de verklaring onvrijwillig of zonder kennis van de inhoud had ondertekend. Ook was niet gebleken dat IOM geweigerd had zijn gemachtigde te informeren. De rechtbank volgde verweerder in de stelling dat ondertekening van een vertrekverklaring lopende verblijfsprocedures kan intrekken. Daarom had eiser geen procesbelang meer en werd het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vrijwillig vertrek en beëindiging van de verblijfsprocedures.