ECLI:NL:RVS:2022:797
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 april 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaarde, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure gaf de staatssecretaris aan dat de vreemdeling met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie Nederland vrijwillig had verlaten en op 11 januari 2021 een vertrekverklaring had ondertekend. Hierdoor zijn de verblijfsrechtelijke procedures beëindigd en ontbreekt het belang van de vreemdeling bij voortzetting van het hoger beroep.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat de vreemdeling geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep. De argumenten van de gemachtigde konden dit niet veranderen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het hoger beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang na vrijwillig vertrek uit Nederland.