ECLI:NL:RBDHA:2022:8166
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag rechtmatig verblijf EU-onderdaan wegens onvoldoende middelen van bestaan
Eiser, een Bulgaarse EU-onderdaan, diende op 1 februari 2021 een aanvraag in voor rechtmatig verblijf in Nederland op grond van EU-recht. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag af omdat eiser niet kon aantonen over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Eiser ontvangt een kleine AOW-uitkering en een AIO-aanvulling, welke wordt beschouwd als een beroep op algemene middelen.
Eiser betoogde dat zijn beroep op AOW en AIO geen onredelijk beroep op algemene middelen is en dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat eiser de bewijslast draagt voor voldoende middelen en dat de AIO-aanvulling geen zelfstandige middelen van bestaan vormt. Tevens vond de rechtbank dat verweerder terecht niet aan artikel 8 EVRM Pro heeft getoetst, omdat eiser dit niet expliciet of impliciet had aangevoerd in de primaire procedure.
Verder nam de rechtbank mee dat eiser slechts kort rechtmatig verblijf had, niet substantieel had bijgedragen aan sociale premies, en dat terugkeer naar Bulgarije niet onevenredig bezwarend is gezien zijn nationaliteit en banden met dat land. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag rechtmatig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende middelen van bestaan.