ECLI:NL:RBDHA:2022:8212
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- A.M.H. van der Poort - Schoenmakers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening verblijf bij partner op grond van artikel 8 EVRM
Verzoeker, een Albanese nationaliteit dragende man, heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel verblijf bij zijn partner in Nederland. Deze aanvraag is door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en omdat verzoeker niet voldeed aan de criteria voor vrijstelling van dit vereiste.
Verzoeker betoogde dat hij en zijn partner een duurzame en exclusieve relatie hebben, mede omdat zij op 13 juni 2022 zijn getrouwd, en dat zijn uitzetting in strijd is met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Tevens stelde hij dat bijzondere omstandigheden en de hardheidsclausule toepassing behoefden en dat hij in bezwaar gehoord diende te worden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker weliswaar een spoedeisend belang had bij de voorlopige voorziening, maar dat de belangenafweging door de staatssecretaris terecht in het nadeel van verzoeker was gemaakt. De rechter vond het belang van de Nederlandse samenleving bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder wegen dan het belang van verzoeker. Ook werd geoordeeld dat het mvv-vereiste niet onredelijk hard werd tegengeworpen en dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.M.H. van der Poort - Schoenmakers en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.