ECLI:NL:RBDHA:2022:8270
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bijstand wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag bezwaar gemaakt tegen de intrekking, herziening en terugvordering van bijstand over de periode van 19 juni 2019 tot en met 8 september 2021, alsmede tegen de afwijzing van een nieuwe aanvraag. Het college heeft de bijstand ingetrokken en een bedrag van €17.153,31 teruggevorderd. Verzoekster vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening om uitstel van betaling en voortzetting van de bijstand te verkrijgen.
De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang van het verzoek en concludeerde dat dit ontbreekt. De intrekking en terugvordering betreffen een afgesloten periode, en verzoekster heeft daarna weer bijstand ontvangen. Bovendien geniet zij bescherming van de beslagvrije voet bij invordering. Ook het verzoek om voortzetting van de bijstand vanaf 6 mei 2022 is niet spoedeisend, omdat dit betrekking heeft op een afgesloten periode en er geen acute financiële nood is gebleken.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in een zodanige financiële nood verkeert dat een voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Daarom is het verzoek afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening bij bijstand wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.