ECLI:NL:RBDHA:2022:8398

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 augustus 2022
Publicatiedatum
23 augustus 2022
Zaaknummer
NL21.19026
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij buiten behandeling stelling asielaanvraag

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag buiten behandeling te stellen. Vervolgens vroeg verzoeker om een voorlopige voorziening, maar heeft dit verzoek later ingetrokken en verzocht om een proceskostenveroordeling.

De voorzieningenrechter beoordeelde of het bestuursorgaan in het kader van de intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening aan verzoeker was tegemoetgekomen, wat een proceskostenveroordeling zou kunnen rechtvaardigen. Uit jurisprudentie volgt dat alleen bij erkenning van onrechtmatigheid sprake is van tegemoetkomen.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het bestuursorgaan het besluit had herzien op basis van nieuwe feiten en omstandigheden, waardoor geen sprake was van tegemoetkomen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen door het bestuursorgaan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.19026

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: Mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker buiten behandeling gesteld.
Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op verzoek van de voorzieningenrechter heeft verweerder daarop schriftelijk gereageerd.
Verzoeker heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Verweerder heeft hierop gereageerd.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb kan in geval van intrekking van een verzoek om een voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op gelijktijdig verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 Awb Pro in de kosten worden veroordeeld.
2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. [1] Volgens de Afdeling is bij intrekking van een besluit vanwege nieuwe feiten en omstandigheden of vanwege nadien verkregen informatie geen sprake van tegemoetkomen
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van tegemoetkomen zoals hiervoor bedoeld. Uit de schriftelijke reactie van verweerder van 17 februari 2022 blijkt dat het begunstigende besluit is genomen op grond van de in bezwaar en de voorlopige voorzieningsprocedure nieuw bekende feiten en omstandigheden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.N.F. Kreeftmeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816.