Eiser verzocht op 24 juli 2020 om handhaving tegen negen strandpaviljoens vanwege vermeende illegale activiteiten. Verweerder verlengde de beslistermijn meerdere malen, waarbij het bezwaar van eiser tegen deze verlenging niet-ontvankelijk werd verklaard omdat eiser niet rechtstreeks in zijn belang was getroffen.
Eiser stelde verweerder in gebreke wegens het niet tijdig nemen van een besluit en stelde beroep in tegen deze nalatigheid. De rechtbank oordeelde dat de verlenging van de beslistermijn een procedurebeslissing betrof en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij hierdoor rechtstreeks in zijn belang was getroffen, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank stelde vast dat verweerder niet binnen een redelijke termijn had beslist op het handhavingsverzoek, waardoor verweerder een dwangsom verbeurde. Eiser had verweerder tijdig in gebreke gesteld, wat niet onredelijk laat was. De rechtbank vernietigde het niet tijdig nemen van een besluit en bepaalde dat verweerder binnen acht weken alsnog een besluit moet nemen, met een dwangsom bij overschrijding.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser en tot vergoeding van het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Schaaf op 28 januari 2022.