Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
eisende partij,
gemachtigde: mr. M.J.S. Spanjersberg,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M.J.S. Spanjersberg.
1.Procedure
- de dagvaarding van 24 mei 2022;
- de in het geding gebrachte producties.
Rechtbank Den Haag
Eiseres en gedaagde zijn samenhuurders van een woonruimte sinds 25 augustus 2017. Na het beëindigen van hun relatie in de zomer van 2021 is gedaagde uit de woning vertrokken en huurt elders een woning. Eiseres vordert dat gedaagde de huur met ingang van 1 januari 2022 niet langer voortzet en dat de toewijzing van het huurrecht aan haar ook werking heeft tegenover de verhuurder.
De kantonrechter stelt vast dat artikel 7:267 lid 7 BW Pro van overeenkomstige toepassing is op gezamenlijke huurders die uit elkaar gaan, waardoor de huurovereenkomst ten aanzien van de vertrekkende huurder eindigt en voortgezet wordt voor de achterblijvende huurder. Gedaagde stemt in met de gevorderde beëindiging.
De kantonrechter wijst de vorderingen toe en bepaalt dat gedaagde de huur niet langer voortzet vanaf 1 januari 2022. Tevens verklaart de rechter dat deze toewijzing werking heeft tegenover de verhuurder. Hiermee wordt de huurovereenkomst aangepast zonder dat de belangen van de verhuurder in de beoordeling hoeven te worden meegewogen.
Uitkomst: Gedaagde moet de huur niet langer voortzetten vanaf 1 januari 2022 en dit heeft werking tegenover de verhuurder.