Uitspraak
Rechtbank den haag
1.[gedaagde 1] te [woonplaats 2] ,
Verenging [gedaagde 2]te [plaats] ,
Rechtbank Den Haag
In deze kortgedingprocedure vordert eiser dat gedaagden worden verboden hem nog als bestuurder van de politieke vereniging te presenteren, aangezien hij per 30 november 2020 rechtsgeldig uit het bestuur is getreden. Eiser stelt dat gedaagden onrechtmatig handelen door hem in communicatie met derden en op de website als bestuurder te blijven noemen, wat hem hinder bezorgt.
De voorzieningenrechter stelt vast dat eiser daadwerkelijk is afgetreden en dat dit is bevestigd door gedaagde 1 en geregistreerd in het Handelsregister. Het handelen van gedaagden om eiser nog als bestuurder te presenteren is onrechtmatig. De voorzieningenrechter verbiedt gedaagden dan ook om eiser als bestuurder te noemen en beveelt hen om op de website voorafgaand aan en tijdens de algemene ledenvergadering te melden dat eiser uiterlijk op 30 november 2020 is afgetreden.
Andere vorderingen van eiser worden afgewezen vanwege onvoldoende belang, onvoldoende bepaalbaarheid en gebrek aan bewijs van onrechtmatig handelen. Tevens wordt een dwangsom opgelegd om naleving van het verbod en gebod af te dwingen. Gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagden worden verboden eiser als bestuurder te noemen en moeten rectificatie op de website plaatsen dat eiser uiterlijk 30 november 2020 is afgetreden.