ECLI:NL:RBDHA:2022:8584
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet tijdig beslissen en dwangsombesluit asielaanvraag
Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van oktober 2017. Verweerder nam uiteindelijk op 25 november 2021 een besluit en op 1 december 2021 een dwangsombesluit. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat inmiddels een besluit is genomen, waardoor het belang vervalt.
De rechtbank stelt vast dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, die beroep tegen niet tijdig beslissen uitsloot, onverbindend is verklaard door de hoogste bestuursrechter. Hierdoor is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het beroep. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten wegens overschrijding van de beslistermijn.
Ten aanzien van het dwangsombesluit oordeelt de rechtbank dat de maximale bestuurlijke dwangsom reeds is vastgesteld naar aanleiding van een eerdere ingebrekestelling. Een verdere dwangsom op basis van een latere ingebrekestelling is niet gerechtvaardigd. Het beroep tegen het dwangsombesluit wordt daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en de rechtbank benadrukt dat het geschil van licht gewicht is, omdat het uitsluitend gaat om de vraag of de beslistermijn is overschreden. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €379,50.
De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken een verzetschrift indienen indien zij het niet eens zijn met de beslissing.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk, het beroep tegen het dwangsombesluit ongegrond en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.