ECLI:NL:RBDHA:2022:8600
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen ophouding met gebruik van handboeien wegens vluchtgevaar
Eiser, van Indonesische nationaliteit, werd op 17 juli 2022 opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat het gebruik van handboeien bij zijn overbrenging niet voldoende was toegelicht in het proces-verbaal, wat volgens hem leidde tot onrechtmatigheid van de ophouding.
De rechtbank oordeelde dat het proces-verbaal inderdaad een gebrek vertoonde omdat het niet concreet vermeldde uit welke feiten en omstandigheden het vluchtgevaar bleek. Dit vormde een tekortkoming in de motivering van het gebruik van handboeien.
Echter, in het verweerschrift heeft de staatssecretaris alsnog toegelicht dat de handboeien werden gebruikt vanwege vluchtgevaar, mede omdat het eerste vervoermiddel niet was uitgerust voor arrestantvervoer en eiser zich tijdens een adrescontrole probeerde te verbergen. Bij aankomst op het politiebureau werden de handboeien verwijderd toen een geschikt voertuig beschikbaar was.
De rechtbank vond deze aanvullende motivering voldoende en oordeelde dat daarmee werd voldaan aan de Ambtsinstructie. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Wel werden de proceskosten ten laste van verweerder opgelegd vanwege het geconstateerde gebrek.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.