ECLI:NL:RBDHA:2022:8630

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 augustus 2022
Publicatiedatum
30 augustus 2022
Zaaknummer
NL22.16056
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 96 lid 3 VwArt. 106 VwArt. 28 lid 3 Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel bewaring wegens onvoldoende voortvarendheid en toekenning schadevergoeding

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon, werd op 1 augustus 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank had de rechtmatigheid van de bewaring reeds eerder beoordeeld tot het sluiten van het onderzoek en richt zich nu op de periode daarna. Eiser stelde dat de overdracht aan Franse autoriteiten op 16 augustus 2022 niet doorging door een fout van de Dienst Terugkeer & Vertrek, waardoor de bewaring onrechtmatig voortduurde.

Verweerder erkende de fout maar stelde dat voortvarend werd gehandeld en dat eiser overdrachten had gefrustreerd. De rechtbank oordeelde dat de fout onmiskenbaar was en dat de vertraging bij een vrijheidsbenemende maatregel onrechtmatig is, ongeacht andere belangen.

De maatregel van bewaring werd met ingang van 17 augustus 2022 onrechtmatig verklaard en per 24 augustus 2022 opgeheven. Tevens werd een schadevergoeding van €800 toegekend voor acht dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en werden proceskosten van €1.518 aan verweerder opgelegd.

Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig verklaard, opgeheven en eiser krijgt een schadevergoeding en proceskosten toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL22.16056

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Verweerder heeft op 1 augustus 2022 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft voortgangsgegevens overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 24 augustus 2022 op een zitting behandeld in Breda. Eiser heeft aan de zitting deelgenomen met behulp van een beeldverbinding. Eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen via dezelfde beeldverbinding Y. E-Rramdani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 augustus 2022 in de zaak met nummer NL22.14814 (ECLI:NL:RBDHA:2022:8302) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Daarbij wijst hij erop dat een voor hem geplande overdracht aan de autoriteiten van Frankrijk op 16 augustus 2022 niet is doorgegaan vanwege een fout van de Dienst Terugkeer & Vertrek. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een afschrift van een e-mail van 17 augustus 2022 van de regievoerder aan zijn gemachtigde overgelegd. Eiser vraagt opheffing van de bewaring met ingang van 16 augustus 2022 en schadevergoeding voor de sindsdien in bewaring doorgebrachte dagen.
5. Verweerder erkent dat er een fout is gemaakt, maar vindt dat de bewaring niet onrechtmatig is. Daartoe voert hij aan dat na het maken van de fout voortvarend is gewerkt aan de nieuwe overdracht en dat deze kan plaatsvinden binnen de zeswekentermijn. [1] Ook wijst hij erop dat eiser meermalen de eerder voorgenomen overdrachten heeft gefrustreerd. Subsidiair betoogt verweerder dat een toe te kennen schadevergoeding moet worden gematigd met 50% vanwege eisers weigerachtige houding.
6. De rechtbank stelt vast dat uit de door eiser overgelegde e-mail blijkt dat eiser op 16 augustus 2022 had kunnen worden overgedragen aan de autoriteiten van Frankrijk, ware het niet dat is verzuimd om eiser tijdig aan te melden voor vervoer naar de luchthaven. Daaruit blijkt onmiskenbaar dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De omstandigheid dat op 17 augustus 2022 voor eiser een nieuwe vlucht is aangevraagd (op 29 augustus 2022) maakt dit niet anders. Wat verweerder verder heeft aangevoerd kan evenmin leiden tot een ander oordeel, omdat er geen ruimte is voor een belangenafweging. Omdat het gaat om vrijheidsbeneming, maakt deze vertraging van de overdracht de maatregel onrechtmatig. [2]
7. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 17 augustus 2022 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag (woensdag 24 augustus 2022).
8. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 8 x € 100 (verblijf detentiecentrum) = € 800. De rechtbank ziet geen aanleiding het bedrag van de schadevergoeding vanwege het gedrag van eiser te matigen. Het onrechtmatig voortduren van de bewaring is immers geheel aan het nalaten van verweerder te wijten.
9. Ook ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag (woensdag 24 augustus 2022);
 veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser ter hoogte van € 800,- (achthonderd euro), te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van € 1.518,- (vijftienhonderdachttien euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Zie hiervoor ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:281 (www.raadvanstate.nl).