ECLI:NL:RBDHA:2022:8694
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek op grond van ongeloofwaardigheid homoseksuele gerichtheid
Eiser, een Ugandese nationaliteit dragende asielzoeker, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van zijn homoseksuele gerichtheid. Deze aanvraag werd afgewezen als kennelijk ongegrond omdat verweerder zijn homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk achtte. Eiser stelde dat hij nu beter kon verklaren over zijn geaardheid en overhandigde diverse ondersteunende documenten.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser onvoldoende geloofwaardige en consistente verklaringen heeft gegeven over zijn homoseksuele gerichtheid. Eerder was in een procedure vastgesteld dat eiser tegenstrijdige verklaringen had afgelegd over belangrijke feiten, en ook nu heeft eiser deze tegenstrijdigheden niet weg kunnen nemen. Daarnaast heeft verweerder voldoende doorgevraagd naar de gevoelens van eiser en heeft eiser niet adequaat gereageerd.
Hoewel eiser documenten over zijn betrokkenheid bij de gayscene heeft overgelegd, acht de rechtbank deze onvoldoende om de tekortkomingen in zijn verklaringen te compenseren. Gezien het voorgaande is het besluit van verweerder om de aanvraag af te wijzen en een inreisverbod op te leggen terecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag en oplegging van een inreisverbod wordt bevestigd.