ECLI:NL:RBDHA:2022:8863

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 augustus 2022
Publicatiedatum
5 september 2022
Zaaknummer
NL22.15742
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000ECLI:NL:RVS:2020:3034
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag het beroep van eiser behandeld tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte de rechtmatigheid van de maatregel en voerde aan dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel en onvoldoende voortvarend was in de overdracht aan Italië.

De rechtbank overwoog dat hoewel nog niet vaststaat of het Unierecht ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid vereist, zij in dit geval geen onrechtmatigheid constateerde. De zware gronden voor de maatregel, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het onttrekken aan toezicht, zijn feitelijk juist. De lichte gronden werden deels losgelaten door de staatssecretaris.

De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht geen lichter middel toepaste, mede gelet op het eerdere vertrek van eiser met onbekende bestemming en de aanwezigheid van gespecialiseerde zorg in het detentiecentrum. Ook stelde de rechtbank vast dat de staatssecretaris voldoende voortvarend handelt, met een vertrekgesprek en geboekte vlucht naar Italië. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.15742

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2022 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Guman),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. D. Kuiper).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de aan hem met het besluit van 12 augustus 2022 opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit beroep geldt tevens als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 23 augustus 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde met behulp van een beeldverbinding en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordeelt de rechtbank ambtshalve de rechtmatigheid van de voorwaarden voor bewaring?
2. Eiser verzoekt de rechtbank om te controleren of aan alle voorwaarden is voldaan ten aanzien van de aanhouding, de ophouding en de bewaring. De rechtbank begrijpt dit verzoek als een verzoek om ambtshalve beoordeling van de rechtmatigheid van de voorwaarden voor bewaring.
2.1.
Hoewel nog niet vaststaat of het Unierecht de rechtbank verplicht ambtshalve deze rechtmatigheid te toetsen, en zo ja, hoe die toetsing er dan uit zou moeten zien, hanteert de rechtbank, in het licht van de verwijzingsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 december 2020 [1] hierover de volgende lijn. Als de rechtbank zich ten volle bewust is van het feit dat de maatregel onrechtmatig is, dat de vreemdeling als gevolg daarvan ten onrechte van zijn vrijheid is beroofd en dat deze situatie zal voortduren, zal zij deze onrechtmatigheid in haar oordeel betrekken, ook als daar geen grond tegen is gericht.
2.2.
In deze zaak is van een dergelijke onrechtmatigheid echter niet gebleken. De rechtbank beoordeelt daarom de maatregel van bewaring aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Er bestaat een significant risico op onttrekking, de staatssecretaris werkt voldoende voortvarend aan de overdracht van eiser en de staatssecretaris had niet moeten volstaan met een lichter middel. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Bestaat er een significant risico op onttrekking?
4. De staatssecretaris legt de maatregel op, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De staatssecretaris legt hieraan, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden ten grondslag dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
De staatssecretaris heeft op de zitting lichte grond 4e laten vallen en legt deze niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag.
4.1.
Eiser betwist de zware en de lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd.
4.2.
Deze beroepsgronden slagen niet. De staatssecretaris heeft namelijk terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel ten grondslag gelegd. De reden hiervoor is dat deze zware gronden feitelijk juist zijn. Eiser is namelijk niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen. Hij beschikt niet over een rechtsgeldig paspoort met daarin een visum voor Nederland. De zware grond 3a is dan ook terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Ook de zware grond 3b is terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Eiser is immers op 21 maart 2022 zonder de beslissing van de staatssecretaris op zijn asielaanvraag af te wachten met onbekende bestemming vertrokken. De zware gronden 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Er bestaat daarom een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Had de staatssecretaris moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel. Volgens eiser is hij naar Nederland gekomen voor een medisch ingreep aan zijn been. De staatssecretaris kon eiser een meldplicht opleggen, zodat hij de medisch ingreep kon ondergaan.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris stelt zich namelijk, gelet op wat de rechtbank hierboven onder 4.2 oordeelt over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De staatssecretaris betrekt daarbij terecht dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken. Verder wijst de staatssecretaris er terecht op dat er in het detentiecentrum gespecialiseerde zorg aanwezig is. Deze wordt gelijkwaardig geacht aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Dit maakt dan ook niet dat de inbewaringstelling voor eiser onevenredig bezwarend is.
Werkt de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de overdracht?
6. Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan zijn overdracht aan Italië. Uit de gedingstukken volgt niet welke uitzettingshandelingen de staatssecretaris heeft verricht.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris werkt namelijk wel voldoende voortvarend. Zo heeft op 17 augustus 2022 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Daarnaast is voor eiser een vlucht naar Italië geboekt op 8 september 2022. Eiser betwist deze feiten en omstandigheden niet. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser heeft ongelijk en de maatregel van bewaring blijft in stand. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
mr.R.V.D.P. Martina, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3034. De rechtbank hanteert deze lijn totdat het Hof van Justitie over dit punt duidelijkheid schept.