ECLI:NL:RVS:2020:3034
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van vreemdelingenbewaring door de rechter
De zaak betreft twee vreemdelingen, afkomstig uit Sierra Leone en Algerije, die in 2019 in vreemdelingenbewaring werden gesteld in Nederland. De rechtbanken hadden de bewaring onrechtmatig verklaard vanwege onvoldoende voortvarendheid van de staatssecretaris, ondanks dat de vreemdelingen niet over dit punt hadden geklaagd. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraken, waarbij de kernvraag is of de rechter ambtshalve, dus uit eigen beweging, alle voorwaarden voor bewaring moet toetsen, ook als de vreemdeling die niet betwist.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bespreekt uitgebreid het toepasselijke Unierecht, waaronder de Opvangrichtlijn, Terugkeerrichtlijn en Dublinverordening, en de nationale wetgeving. De Afdeling concludeert dat het Unierecht niet expliciet regelt of de rechter ambtshalve moet toetsen, en dat het Nederlandse bestuursprocesrecht in principe beperkt ambtshalve toetsing toestaat, behalve bij voorschriften van openbare orde.
De Afdeling vergelijkt de bestuursrechtelijke procedure met strafrechtelijke en consumentenzaken, waarbij in consumentenzaken ambtshalve toetsing verplicht is vanwege de kwetsbare positie van consumenten. Hoewel vreemdelingen in bewaring ook een kwetsbare groep vormen, zijn er aanvullende rechtswaarborgen en een andere partijverhouding in bestuursrechtelijke procedures. De Afdeling ziet daarom onvoldoende grond om de huidige Nederlandse praktijk te wijzigen zonder nadere uitspraak van het Hof.
Gezien de onduidelijkheid en het belang van de vraag verzoekt de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Unie om prejudiciële beslissing over de verplichting tot ambtshalve toetsing van alle voorwaarden voor bewaring door de rechter. De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst totdat het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst en de zaak wordt voorgelegd aan het Hof van Justitie voor prejudiciële beslissing over de verplichting tot ambtshalve toetsing.