Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1981, burger van Rusland, eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Artikel 27, lid 1, van verordening nr. 604/2013, gelezen in het licht van overweging 19 van deze verordening, en artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten in die zin worden uitgelegd dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt, moet kunnen beschikken over een doeltreffend en snel rechtsmiddel waarmee hij kan aanvoeren dat na de vaststelling van het overdrachtsbesluit de in artikel 29, leden 1 en 2, van die verordening gestelde termijn van zes maanden is verstreken.” De rechtbank legt het begrip “besluit” in de onderhavige Dublinprocedure uit in overeenstemming met dit arrest.
nadathet overdrachtsbesluit in rechte vast is komen te staan en
nadatde gebruikelijke overdrachtstermijn van zes maanden is verstreken. Niet valt in te zien dat een effectief en doeltreffend rechtsmiddel niet langer ter beschikking bestaat als nog niet alle gevolgen van een overdrachtsbesluit door de rechter zijn beoordeeld. Een concrete procedure eindigt immers eerst als ofwel de feitelijke overdracht is gerealiseerd ofwel de al dan niet verlengde overdrachtstermijn verstrijkt. De Dublinverordening en de jurisprudentie van het Hof worden nu juist gekenmerkt door de waarborging van een doeltreffende voorziening in rechte. De uitleg die verweerder voorstaat houdt in dat terwijl de procedure nog niet tot een einde is gekomen de rechterlijke bescherming wel ophoudt. De rechtbank acht de uitleg van verweerder dan ook in strijd met het Unierecht.
Het Hof heeft bovendien in het arrest van 7 juni 2016, Ghezelbash, C-63/15 (ECLI:EU:C:2016:409, punt 52) overwogen dat de huidige Dublinverordening heeft beoogd verbeteringen aan te brengen waarvan de ervaring heeft geleerd dat zij nodig zijn, niet alleen om het Dublinsysteem effectiever te maken, maar tevens om asielzoekers beter te beschermen. Deze bescherming wordt volgens het Hof met name verzekerd door de rechterlijke bescherming die hen wordt geboden. Het Hof heeft dit onlangs nog in het arrest van 1 augustus 2022, C-19/21, I en S tegen Nederland (ECLI:EU:C:2022:605) herhaald.
“dat een verzoeker „onderduikt” in de zin van die bepaling wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, teneinde deze overdracht te voorkomen. Aangenomen mag worden dat zulks het geval is wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd omdat de verzoeker de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn desbetreffende verplichtingen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan. De betrokken verzoeker behoudt de mogelijkheid om aan te tonen dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan die autoriteiten.”
nietin het dictum van de uitspraak bepalen dat verweerder wordt opgedragen om eiser toe te laten tot de nationale procedure en op die wijze zelf voorzien in de zaak omdat de rechtbank gelet op eerdere procedures er van uitgaat dat dit een zelfstandige reden zal zijn voor verweerder om in hoger beroep te gaan. Eiser is, mede gelet op zijn ter zitting nader toegelichte actuele medische problematiek en het reeds zeer aanzienlijke tijdsverloop in zijn procedures, sterk gebaat bij zekerheid en rust en dus bij een beëindiging van de Dublinprocedure, zodat hij kan worden gehoord op zijn verzoek om internationale bescherming en hij zijn asielwens inhoudelijk kan toelichten.