ECLI:NL:RBDHA:2022:9187
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- A.M.H. van der Poort - Schoenmakers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning mensenhandel en niet-ontvankelijkheid voorlopige voorziening
Eiser, een Pakistaanse nationaliteit, kreeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de regeling voor slachtoffers van mensenhandel. Na een sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie op 11 augustus 2020, waarin werd besloten niet tot vervolging over te gaan wegens mensenhandel, trok de staatssecretaris de verblijfsvergunning in en wees een aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel af.
Eiser voerde aan dat de staatssecretaris onterecht een strikte scheiding maakte tussen slachtoffers van mensenhandel en mensensmokkel, en dat dit in strijd was met de Richtlijn 2004/81/EG en het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Ook stelde eiser dat er geen bestuursrechtelijke beoordeling had plaatsgevonden over de aannemelijkheid van zijn mensenhandelrelaas en dat hij niet was gehoord in bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat Nederland niet verplicht is de Richtlijn toe te passen op slachtoffers van mensensmokkel en dat de staatssecretaris terecht het sepotbesluit van het OM als uitgangspunt nam. Het hof had het beklag van eiser tegen het sepotbesluit afgewezen. De rechtbank vond dat de bijzondere omstandigheden aangevoerd door eiser geen rechtstreeks verband hielden met mensenhandel en dat de hoorplicht niet was geschonden omdat vooraf duidelijk was dat het bezwaar geen ander oordeel zou opleveren.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van connexiteit na uitspraak in het beroep. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.